ECLI:NL:RBMNE:2022:5898

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2022
Publicatiedatum
6 januari 2023
Zaaknummer
21/1807
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 25 Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens geen verzoek tot hoorzitting bij WOZ-waarde bezwaar

Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €285.000 per 1 januari 2019, met betrekking tot het kalenderjaar 2020. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in de uitspraak op bezwaar en stelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiser geen verzoek tot hoorzitting had ingediend.

De rechtbank behandelde het beroep op 22 november 2022 via een beeldverbinding, waarbij de gemachtigden van beide partijen en een taxateur aanwezig waren. De woning betreft een eindwoning uit 1982 met een gebruiksoppervlakte van 103 m2 en een kavel van 126 m2.

De kern van het geschil was of de hoorplicht van de heffingsambtenaar was nageleefd. Op grond van de Awb moet een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stellen gehoord te worden, maar de Awr bepaalt dat dit alleen op verzoek van de belanghebbende hoeft te gebeuren. Omdat eiser geen verzoek tot hoorzitting had gedaan, oordeelde de rechtbank dat de hoorplicht niet was geschonden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan op 24 november 2022 en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard omdat geen verzoek tot hoorzitting is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1807

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: H.M. van Vliet),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht(de heffingsambtenaar)
(gemachtigde: W. Vos).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan [adres] in [woonplaats] .
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde met de aanslag van 29 februari 2020 vastgesteld op € 285.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2019 en geldt voor het kalenderjaar 2020. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2021 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar bijgestaan door de taxateur: [taxateur] .

Feiten

2. De woning van eiser is een in 1982 gebouwde eindwoning. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 103 m2 en een kaveloppervlakte van 126 m2.
3. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichting om eiser te horen in bezwaar.
4. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan voordat het op het bezwaar beslist de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt, in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Awb, de belanghebbende in de bezwaarprocedure gehoord op zijn verzoek.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar geen verzoek heeft ingediend om te worden gehoord. Dit betekent dat de heffingsambtenaar zijn hoorplicht niet heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.