Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse gemeente. Verweerder had de waarde voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op €445.000,- met waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser stelde een lagere waarde van €416.000,- voor en voerde aan dat de gebruikte referentiewoningen onvoldoende vergelijkbaar waren en dat de waardering van objectonderdelen onvoldoende inzichtelijk was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder met het verweerschrift, de taxatiematrix en de toelichting op zitting aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar, waarbij ook de verschillen in perceeloppervlakte en woningtype adequaat waren meegenomen. De taxatiematrix gaf inzicht in de waardeverhoudingen en de waardebepalende factoren zoals onderhoud en voorzieningen.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van inzicht in de waardering van objectonderdelen, onvoldoende rekening houden met het afnemend grensnut en onduidelijkheid over de indexering van verkoopcijfers. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat verweerder niet verplicht is om alle waarderingsdetails in bezwaar te geven en dat de gehanteerde methode marktconform en inzichtelijk was. Ook het verzoek om aanvullende stukken werd niet gehonoreerd vanwege procesorde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter J.A. Schuman op 20 december 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €445.000,- is ongegrond verklaard.