3.3Het oordeel van de rechtbank
Op de zitting van 13 december 2022 heeft [verdachte] - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:
Ik ben samen met de medeverdachten de [Winkel] binnengelopen. Wij wilden de [Winkel] overvallen omdat wij geld wilden. Ik had mijn gezicht bedekt toen ik naar binnenliep, ik had een capuchon op en witte gezichtsbedekking.
Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt - zakelijk weergegeven - het volgende:
Op 29 juni 2022 was ik werkzaam bij de [Winkel] aan de [Filiaal] te [plaats] . Ik zag drie jongens binnen komen lopen. Ik zat met mijn gezicht richting de ingang en zag dat de voorste jongen van de drie een mes in zijn handen had (jongen 1). Toen deze jongen naar mij toe kwam lopen zag ik dat hij hard met het mes op mijn balie van de kassa sloeg en riep "Kassa open nu!" Ik zag dat hij met het snijgedeelte op de balie sloeg. Ik zag dat hij ook met de punt van het mes op mij richtte. Ik voelde mij erg bedreigd. Ik was echt bang dat de jongen mij neer zou steken. Ik zag dat de tweede jongen tussen mij en mijn collega die achter kassa 4 zat ging staan. Ik zag ook dat de derde jongen bij mijn collega van kassa 4 stond. Ik hoorde later dat deze jongen mijn collega bedreigde met een schroevendraaier.
Uit een proces-verbaal bevindingen, inhoudende het verhoor van getuige [getuige] , blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:
- ik zag dat er drie jongens binnen kwamen lopen met gezichtsbedekking;
- ik hoorde dat deze jongens schreeuwden geld, geld, geld;
- lk zag dat ze zonnebrillen op had en doeken voor hun mond.
Uit het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:
Ik ben naar binnengelopen met een schroevendraaier en toen heb ik de kassière gevraagd de kassalade open te doen. Ik heb het toen geld gepakt, waarna ik ben weggegaan.
Uit het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:
[medeverdachte 2] : ik heb gezegd dat die kassa leeg moest en daarbij heb ik gezegd dat het sneller moest. Toen de geldlade open was heb ik het geld gepakt en ben ik weggegaan.
[A] : De kassière zegt dat zij een groot mes heeft gezien.
[medeverdachte 2] : Ja, ik heb inderdaad een mes bij mij gehad. Een keukenmes.
De rechtbank heeft ter zitting het volgende waargenomen:
De rechtbank heeft de stills bekeken van de beelden die op 29 juni 2022 door omstanders zijn gemaakt in de [Winkel] . De rechtbank constateert dat op de still bovenaan pagina 25 van het procesdossier te zien is dat drie personen om de kassamedewerkster staan. Ook zijn de bewegende beelden van video-opname [bestandsnaam] op de terechtzitting getoond. De rechtbank constateert dat ook op deze beelden te zien is dat dat er één persoon voor de kassa staat en dat er twee personen tussen de twee kassa’s in staan naast de kassière.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 29 juni 2022 samen met de twee medeverdachten de [Winkel] is binnengegaan met gezichtsbedekkende kleding. De medeverdachten hadden een schroevendraaier en een mes in hun handen waarmee zij het personeel hebben bedreigd. Uit twee kassalades is geld gepakt en de verdachten zijn vervolgens gevlucht.
[verdachte] heeft verklaard dat hij niet wist dat de medeverdachten wapens mee zouden nemen en dat hij deze wapens voorafgaand, tijdens en na de overval ook niet heeft gezien. Hij verklaart naderhand gehoord te hebben dat er wapens aanwezig waren. De rechtbank vindt deze verklaring ongeloofwaardig gelet op de volgende omstandigheden.
De drie verdachten zijn enige tijd voor de overval samengekomen in Bussum. Op enig moment zijn zij met zijn drieën de [Winkel] binnengegaan met gezichtsbedekkende kleding en richting de kassa’s gelopen. Eén van de verdachten stond voor een kassa en de andere twee verdachten, waarvan [verdachte] bekent er één te zijn, staan tussen de kassa’s in naast de kassières. Op de beelden en de stills van de beelden is te zien dat deze twee personen samen om het slachtoffer heen staan en aanzienlijk dicht op elkaar staan. De rechtbank acht het dan ook niet geloofwaardig dat [verdachte] op geen enkel moment een wapen heeft gezien.
De gedragingen van [verdachte] en zijn medeverdachten zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als een bewuste en nauwe samenwerking in de zin van medeplegen. Dat uit het dossier niet blijkt van een bepaalde taakverdeling, van afspraken of een vooropgezet gemeenschappelijk plan doet daar niet aan af en is niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dan van medeplegen kan worden gesproken.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde feit tezamen en in vereniging met de medeverdachten heeft gepleegd.