ECLI:NL:RBMNE:2022:6229

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 maart 2022
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
16/166485-19
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OpiumwetArt. 11a OpiumwetArt. 47 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 1 tweede lid Opiumwetbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs bestemdheid goederen voor grootschalige hennepteelt

Op 18 april 2019 werd verdachte samen met een medeverdachte verdacht van het bezit van voorwerpen bestemd voor het plegen van strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 11 van Pro de Opiumwet. De zaak werd bij verstek behandeld omdat verdachte niet aanwezig was bij de inhoudelijke behandeling op 7 maart 2022.

De rechtbank beoordeelde de vordering van de officier van justitie en concludeerde dat het bewijs ontbrak dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt. De hoeveelheid en aard van de aangetroffen goederen, waaronder plantenbakken met aarde, koolstoffilters, verwarmingsapparatuur en andere materialen, waren onvoldoende om te concluderen dat sprake was van grootschalige hennepteelt.

Daarom verklaarde de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij. De rechtbank definieerde grootschalige hennepteelt als minimaal 500 gram hennep of 200 hennepplanten, wat niet werd vastgesteld. Dit vonnis werd uitgesproken op 21 maart 2022 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet bewezen kon worden dat de goederen bestemd waren voor grootschalige hennepteelt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/166485-19
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 maart 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in het buitenland,
hierna: verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op de openbare terechtzitting van 7 maart 2022, gelijktijdig met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 16/274321-19).
Verdachte was niet bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, waardoor de zaak bij verstek is behandeld. Dit betekent dat de rechtbank enkel kennis heeft genomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij.

2.TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij een strafbaar feit. Deze verdenking staat beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht.
Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij:
op 18 april 2019 in De Meern samen met medeverdachte voorwerpen aanwezig heeft gehad die bestemd zijn voor het plegen van feiten als bedoeld in artikel 11 van Pro de Opiumwet.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.VRIJSPRAAK

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Onder grootschalige hennepteelt wordt begrepen minimaal 500 gram hennep of 200 hennepplanten. [1]
In de aanhanger van verdachte en zijn medeverdachte zijn aangetroffen:
- een aantal plantenbakken met hierin resten van aarde en kalkafzetting aan de onderzijde van de potten;
- twee gebruikte en vervuilde koolstoffilters;
- verwarmingsapparatuur;
- Ph/hygrometer;
- houten latten, waaraan lampenkappen hadden gezeten;
- een bak met hierin resten van hennep;
- aan- en afvoerslangen van lucht aan- en afvoer ten behoeve van de hennepkwekerij;
- een aantal lucht-afzuigboxen;
- een dompelpomp;
- temp/hygrometer;
- een aantal jerrycans van voedingsmiddelen ten behoeve van de hennepteelt;
- een aantal lampenkappen van assimilatielampen;
- een schakelbord;
- zakken met resten van stekblokjes;
- een zak met bamboestokjes.
Uit deze hoeveelheid aangetroffen goederen, kan op zichzelf niet worden geconcludeerd dat deze bestemd zijn voor grootschalige hennepteelt.

5.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. S.M. Schothorst en E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Neijenhuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 maart 2022.
Mrs. Schothorst en Ruinaard zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 april 2019 te De Meern, gemeente Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:
- één of meerdere plantenbakken (met resten van aarde en/of kalkafzetting),
- één of meerdere koolstoffilters,
- verwarmingsapparatuur,
- ph/hychrometer,
- houten latten,
- bak met hennepresten,
- aan- en afvoerslangen,
- één of meerdere luchtafzuigboxen,
- dompelpomp,
- temp/hychrometer,
- één of meerdere jerrycans (van voedingsmiddelen)
- één of meerdere lampenkappen (van assimilatielampen)
- schakebord,
- één of meerdere zakken met resten van stekelblokjes,
- een zak met bamboestokjes,
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
( art 11a Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Voetnoten

1.Zie artikel 1 tweede Pro lid Opiumwetbesluit.