ECLI:NL:RBMNE:2022:626
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde vrijstaande woning in Utrecht
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning in Utrecht, vastgesteld op €1.692.000,- met peildatum 1 januari 2019. Verweerder had eerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde verlaagd naar €1.300.000,-, maar handhaaft in beroep de oorspronkelijke waarde.
De rechtbank beoordeelt of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder onderbouwt zijn standpunt met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie vergelijkbare woningen in de omgeving, waarbij rekening is gehouden met verschillen in bouwjaar, ligging en staat van onderhoud. De waarde per vierkante meter van de woning ligt lager dan die van de referentiewoningen.
Eiser voert aan dat het bestemmingsplan een waardedrukkend effect heeft omdat de woning als bestaande afwijking wordt aangemerkt, wat uitbreidingsmogelijkheden beperkt. De rechtbank oordeelt dat dit effect niet aannemelijk is, mede omdat de referentiewoningen vergelijkbare beperkingen kennen. Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de vermeende ongelijke behandeling berust op een fout en er geen meerderheid is van vergelijkbare gevallen met lagere waardering.
De rechtbank concludeert dat verweerder de waarde voldoende heeft onderbouwd en verklaart het beroep ongegrond. Er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €1.692.000,- gehandhaafd.