ECLI:NL:RBMNE:2022:6279
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herbeoordeling WIA-uitkering wegens vermeende verslechtering gezondheid
Eiser ontvangt sinds augustus 2019 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 70,45%. Na melding van vermeerde beperkingen per juli 2020 heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd, waarna het arbeidsongeschiktheidspercentage licht daalde naar 69,99%, hetgeen geen effect had op de uitkering. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het medisch onderzoek van het UWV beoordeeld, waarbij onder meer een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is toegelaten. Eiser stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat hij niet lichamelijk werd onderzocht en belangrijke medische aspecten zoals hypermobiliteit niet adequaat werden meegenomen. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bevoegd was om te bepalen dat lichamelijk onderzoek niet nodig was.
Ook de inhoudelijke medische beoordeling van de arbeidsongeschiktheid werd door de rechtbank bevestigd. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van eiser op de datum in geding (12 juli 2021) anders waren dan door het UWV vastgesteld. De door eiser ingebrachte aanvullende medische informatie betrof een periode na die datum en kon daarom niet leiden tot een andere beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat geen medische onderbouwing is geleverd voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan vastgesteld door het UWV.