Eiseres volgde een MBO-opleiding en ontving een uitwonendenbeurs, maar stond ingeschreven op een adres waaruit bleek dat zij niet daadwerkelijk woonde. Na een huisbezoek op 18 juni 2021 stelde verweerder vast dat eiseres geen persoonlijke spullen op het adres had en dat er geen slaapplek aanwezig was. Verweerder trok de beurs in en vorderde terugbetaling van het teveel ontvangen bedrag.
Eiseres voerde aan dat zij tijdelijk elders verbleef vanwege een time-out en dat haar spullen in een kelderbox stonden. Zij stelde dat zij het adres gebruikte voor maatschappelijke activiteiten en postontvangst. De verklaringen van de hoofdbewoners waren tegenstrijdig en werden door verweerder niet geloofd. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het niet-wonen op het adres bij verweerder lag, maar dat eiseres onvoldoende onomstotelijk bewijs had geleverd om dit te weerleggen.
De rechtbank hechtte meer waarde aan het huisbezoekrapport en de eerste verklaringen van de hoofdbewoners dan aan latere verklaringen van eiseres en haar oom. Het enkele feit dat post op het adres werd ontvangen, was onvoldoende om het woonadres te bevestigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.