ECLI:NL:RBMNE:2022:6381

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2022
Publicatiedatum
3 april 2023
Zaaknummer
UTR 22/4822
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken machtiging

Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet inhoudelijk behandeld omdat het griffierecht niet is betaald, wat een vereiste is volgens artikel 8:83 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster heeft geen geldige reden gegeven voor het niet betalen van het griffierecht, ondanks een aangetekende aanmaning van de rechtbank.

Daarnaast heeft de gemachtigde van verzoekster, I.A. Fredison-Janssen, geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat zij bevoegd is om namens verzoekster op te treden. Dit is ook een reden voor niet-ontvankelijkheid van het verzoek.

De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en geen inhoudelijke uitspraak gedaan over de zaak. Verzoekster krijgt geen gelijk en ontvangt geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4822

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: I.A. Fredison-Janssen),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2021.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening aanvraagt moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 184,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoekster op 19 oktober 2022 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 Awb Pro).
7. De voorzieningenrechter heeft verder ook gevraagd, bij brief van 14 november 2022 om binnen twee weken na datum van verzending een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat I.A. Fredison-Janssen gemachtigd is om namens verzoekster op te treden. Dit heeft I.A. Fredison-Janssen niet gedaan. Dit betekent dat er in deze procedure geen toereikende machtiging is overlegd. Ook om die reden is het verzoek niet-ontvankelijk.
7. Verzoekster krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.