ECLI:NL:RBMNE:2022:6382

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 december 2022
Publicatiedatum
3 april 2023
Zaaknummer
UTR 22/5335
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekers hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een last van het college van burgemeester en wethouders van Almere om een pand terug te brengen tot de laatst vergunde situatie. De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet inhoudelijk behandeld omdat het griffierecht van €184,- niet is betaald, zoals vereist volgens artikel 8:82 Awb Pro.

De rechtbank heeft verzoekers op 19 november 2022 aangetekend verzocht het griffierecht binnen twee weken te voldoen, maar dit is niet gebeurd en er is geen geldige reden opgegeven. Hierdoor is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:83 Awb Pro.

De voorzieningenrechter heeft geen uitspraak gedaan over de inhoud van het verzoek en heeft verzoekers geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.H. Lange op 27 december 2022 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5335

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 december 2022 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: H. Smit).

Procesverloop

In het besluit van 3 oktober 2022 (primaire besluit) heeft verweerder verzoekers gelast om het pand aan de [adres] in [plaats] (het pand) terug te brengen tot de laatst vergunde situatie per 15 januari 2023. Indien niet wordt voldaan aan de last wordt er een dwangsom van € 10.000,- verbeurd.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekers hebben namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek tot voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 184,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekers niets aan kunnen doen.
4. De rechtbank heeft verzoekers op 19 november 2022 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekers het griffierecht binnen twee weken moeten betalen aan de rechtbank.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekers hebben daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 Awb Pro).
7. Verzoekers krijgen geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
27 december 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.