AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit gemeente Almere wegens onvoldoende bewijs verzending
De zaak betreft een beroep van opposant tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere, dat door de rechtbank op 16 juli 2021 ongegrond werd verklaard wegens te late indiening van bezwaarschriften. Opposant ging in verzet tegen deze uitspraak, stellende dat niet is vastgesteld of het besluit daadwerkelijk naar zijn oude adres is verzonden. De rechtbank heeft tijdens de zitting op 11 januari 2022 vastgesteld dat het college geen verzendadministratie of bewijs van aangetekende verzending heeft overlegd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit conform artikel 3:41 AwbPro bekend is gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat het bestuursorgaan de bewijslast draagt voor de verzending van besluiten en dat het ontbreken van bewijs betekent dat het beroep niet zonder zitting had mogen worden afgehandeld. Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt het college op een nieuw besluit te nemen en veroordeelt het college in de proceskosten van opposant.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het bestuursorgaan om de verzending van besluiten aannemelijk te maken, zeker wanneer de ontvangst wordt betwist, en bevestigt het recht van belanghebbenden op een zorgvuldige procedure met hoor en wederhoor.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 2324-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2022 op het verzet van
[Opposant] , te [woonplaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, geopposeerde.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere van 19 mei 2020.
In de uitspraak van 16 juli 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. Opposant is verschenen, samen met zijn gemachtigde. Geopposeerde is verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 juli 2021 het beroep ongegrond verklaard. Opposant had geen geldige reden om zijn bezwaarschriften te laat in te dienen. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheid dat opposant geen adreswijziging had doorgegeven in de Basis registratie persoonsgegevens (Brp) voor zijn risico kwam. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2021 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2021 niet juist. In zijn verzetschrift en ter zitting geeft opposant het volgende aan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de besluiten naar het oude adres van opposant zijn verstuurd en verder alleen gekeken of het binnen de risicosfeer van opposant valt dat hij de adreswijziging niet heeft doorgegeven. Het staat echter niet vast dat het college daadwerkelijk de besluiten ook op die datum naar het betreffende adres heeft verzonden of dat ze op dat adres zijn bezorgd. Dit had verweerder aannemelijk kunnen maken door het bijhouden van een verzendadministratie of door aangetekende verzending. Dat heeft het college niet gedaan en de rechtbank heeft hiernaar ook gen navraag gedaan. Het kan dus niet worden vastgesteld dat de besluiten zijn verzonden, zodat de besluiten niet conform artikel 3:41 vanPro de Awb zijn bekendgemaakt. De rechtbank is hieraan volledig voorbijgegaan.
4. Tijdens de zitting heeft geopposeerde aangegeven dat hij niet verplicht is om het besluit aangetekend te versturen. Het ligt op de weg van opposant om de adreswijziging door te geven. Het is gemakkelijk om te zeggen dat de besluiten niet zijn verzonden. Verder heeft geopposeerde opgemerkt dat hij geen verzendadministratie heeft waaruit blijkt dat de brieven ook daadwerkelijk zijn verzonden. Op de verzenddatum zijn meerdere besluiten verstuurd naar het adres en die zijn wel aangekomen. Dat blijkt uit het feit dat er rechtsmiddelen tegen die besluiten zijn aangewend.
5. De rechtbank is het eens met opposant. Zoals opposant aangeeft heeft de rechtbank niet onderzocht of de besluiten daadwerkelijk naar het daarop vermelde adres verstuurd zijn. De rechtbank had dit wel moeten doen. Wanneer de verzending en ontvangst van een besluit worden betwist, is het immers volgens vaste rechtspraak aan het bestuursorgaan om verzending aannemelijk te maken. Dat kan bijvoorbeeld door een uitdraai van de verzendadministratie of een bewijs van aangetekende verzending over te leggen. Bij ontbreken van nadere informatie van de zijde van het college over de verzending, had de rechtbank het beroep van opposant niet zonder zitting kunnen afdoen.
6. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 16 juli 2021 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
7. De rechtbank zal ook meteen beslissen op het beroep, omdat zij voldoende informatie daarvoor heeft. Het college heeft de besluiten kennelijk niet aangetekend verzonden en heeft geen verzendadministratie bijgehouden. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de besluiten daadwerkelijk naar het daarop vermelde adres zijn verzonden. Dat andere, aan opposants (ex)partner verzonden besluiten wel zijn aangekomen, vindt de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat ook de aan opposant gerichte brieven daarheen zijn verstuurd. Het college heeft het bezwaar van opposant daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen.
8. Het beroep is gegrond. Het college moet daarom aan opposant het griffierecht van € 48,-vergoeden. Verder wordt het college veroordeeld in de proceskosten van opposant. Die worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.518,-
(1 punt voor beroepschrift, 0,5 punt voor verzetschrift, 1 punt voor verzetzitting met een waarde per punt van € 759,-).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant ter hoogte van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier .De beslissing is uitgesproken op 29 maart 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen de uitspraak over het beroep kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. U kunt daar ook om een voorlopige voorziening vragen. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.