Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:6454

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 november 2022
Publicatiedatum
25 mei 2023
Zaaknummer
C/16/547195 / KG ZA 22-534
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 13b OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning na aantreffen handelshoeveelheid harddrugs en sluiting door burgemeester

De heer [A] was huurder van een woning waar op 3 april 2022 een handelshoeveelheid harddrugs en drugshandelgerelateerde zaken werden aangetroffen. De burgemeester sloot de woning op grond van artikel 13b Opiumwet voor drie maanden. De verhuurder, De Alliantie, ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde ontruiming en betaling van huur.

De bewindvoerder van [A] voerde verweer, onder meer over het spoedeisend belang en de rechtmatigheid van de ontbinding. De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig is omdat zonder ontruimingsvonnis geen gedwongen ontruiming kan plaatsvinden. De ontbinding is gegrond omdat de woning gesloten is vanwege handelshoeveelheid drugs, en de omstandigheden wijzen op drugshandel.

Bij de belangenafweging weegt het belang van de verhuurder bij leefbaarheid en veiligheid zwaarder dan het belang van de huurder bij behoud van de woning. De bewindvoerder wordt veroordeeld om binnen drie dagen na betekening de woning te ontruimen en de huur te betalen tot de ontruiming. De vordering tot vergoeding van ontruimingskosten wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen drie dagen en betaling van huur vanaf 18 augustus 2022 tot ontruiming.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/547195 / KG ZA 22-534
Vonnis in kort geding van 11 november 2022
in de zaak van
de stichting
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd in Hilversum,
eiseres,
advocaat mr. M. Dibbets te Amsterdam,
tegen
[bewindvoerder]in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van de heer
[A],
gevestigd in [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. V.P.J. Tuma te Amersfoort.
Partijen zullen hierna De Alliantie en de bewindvoerder genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met 9 producties,
  • de akte overlegging productie van de bewindvoerder,
  • de mondelinge behandeling van 7 november 2022, waarvan de griffier aantekening heeft bijgehouden,
  • de pleitnota van De Alliantie,
  • de pleitnota van de bewindvoerder.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De heer [A] (hierna: [A] ) is op 17 mei 2021 onder bewind gesteld van de heer [bewindvoerder] , maat van Maatschap [maatschap] .
2.2.
[A] is op 1 mei 2017 huurder geworden van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). Op de huurovereenkomst tussen [A] en De Alliantie zijn de Algemene Huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van toepassing.
2.3.
De politie heeft op 3 april 2022 in het gehuurde 15,5 gram cocaïne en 4,09 gram heroïne aangetroffen in een schoenendoos, waarin ook verpakkingsmaterialen, een weegschaal, contant geld en meerdere telefoons lagen. Op 11 augustus 2022 heeft de burgemeester van de gemeente Amersfoort besloten het gehuurde voor drie maanden te sluiten (op grond van artikel 13b onder 1 sub a van de Opiumwet), met ingang van 18 augustus 2022.
2.4.
De Alliantie heeft de huurovereenkomst per brief van 9 augustus 2022 voorwaardelijk buitengerechtelijk ontbonden en per brief van 18 augustus 2022 definitief ontbonden.

3.Het geschil

3.1.
De Alliantie vordert bij voorlopige voorziening ontruiming van de woonruimte aan de [adres] in [woonplaats] en veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van € 655,35 per maand vanaf 18 augustus 2021 (de kantonrechter begrijpt: 2022) tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt en betaling van de proceskosten en ontruimingskosten.
3.2.
De Alliantie legt hieraan primair ten grondslag dat [A] het gehuurde zonder recht of titel gebruikt nu de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. Subsidiair legt De Alliantie hieraan ten grondslag dat [A] tekortschiet in het nakomen van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat dat grond zal zijn voor ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemprocedure.
3.3.
De bewindvoerder voert verweer. Hij betwist het spoedeisend belang van De Alliantie bij haar vordering en voert inhoudelijk verweer.

4.De beoordeling

Centrale vraag

4.1.
In een kort geding geeft de kantonrechter een voorlopig oordeel. De centrale vraag die hij in deze zaak moet beantwoorden is of het gehuurde ontruimd moet worden.
Spoedeisend belang
4.2.
Voorafgaand daaraan moet worden beoordeeld of De Alliantie een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Volgens De Alliantie heeft [A] geen recht meer om in de woning te verblijven. Omdat [A] het gehuurde niet wil verlaten, maakt hij volgens De Alliantie inbreuk op haar eigendomsrecht. Uit die stellingen volgt al het spoedeisend belang bij deze procedure. De omstandigheid dat de politie-inval al op 3 april 2022 heeft plaatsgevonden, doet er niet toe. Nog daargelaten dat op dat moment De Alliantie niet meteen hiervan op de hoogte is, heeft de burgemeester op 11 augustus 2022 het gehuurde gesloten per 18 augustus 2022 voor de duur van drie maanden. De Alliantie wil voorkomen dat [A] na die termijn (vanaf 18 november 2022) weer in het gehuurde zal terugkeren. Dat is haar spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming. Zonder een vonnis waarbij de ontruiming wordt bevolen, kan De Alliantie de woning niet gedwongen laten ontruimen.
Bevoegdheid tot buitengerechtelijk ontbinden
4.3.
Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming in dit kort geding moet verder worden beoordeeld of de vordering van De Alliantie in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Op grond van artikel 7:231 onder Pro 1 en 2 BW kan de verhuurder de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden als sprake is van gedragingen in de woning die in strijd zijn met artikel 2 of Pro 3 Opiumwet en de woning daarom is gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet.
4.4.
Vast staat dat de burgemeester de woning op grond van artikel 13b Opiumwet heeft gesloten voor de duur van drie maanden. De sluiting van de woning vloeit voort uit de vondst van harddrugs en overige drugs(handel)gerelateerde zaken in de woning. Niet is vereist dat het besluit onherroepelijk is, zodat de nog lopende bestuursrechtelijke procedure aan de rechtsgeldigheid van de ontbinding niet in de weg staat.
De aangetroffen zaken in de woning weerspreekt [A] niet. Hij zegt hier alleen over dat de aangetroffen drugs niet van hem zijn. [A] weerspreekt wel dat vanuit het gehuurde werd gehandeld in drugs. Hij vindt dat dit niet uit de bestuurlijke rapportage kan worden afgeleid. Er zijn geen getuigen van eventuele drugshandel (zoals bijvoorbeeld gebruikers/afnemers) en de in de rapportage genoemde buurtbewoner is anoniem gebleven. Dit verweer gaat evenwel niet op. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs overstijgt de hoeveelheid voor eigen gebruik ruimschoots en is te kwalificeren als handelshoeveelheid. Dat de drugs niet van hem waren maar van een ander, is verder niet aannemelijk geworden. Een handgeschreven verklaring is – mede in het licht van de betwisting door De Alliantie – daarvoor onvoldoende.
Naast de harddrugs zijn er ponypacks, een weegschaal, contant geld en gripzakjes aangetroffen. Ook is er een buurtbewoner die heeft verklaard dat er veel aanloop was bij het gehuurde. Veel mensen gingen het gehuurde binnen en vertrokken vervolgens weer snel. Deze omstandigheden kunnen duiden op de handel in harddrugs. Bovendien was er sprake van een handelshoeveelheid, waarbij 39 keer een gebruikershoeveelheid is aangetroffen in het gehuurde. De burgemeester heeft zich bij zijn besluit tot sluiting ook op deze omstandigheden gebaseerd. De buitengerechtelijke ontbinding is dus in beginsel mogelijk.
Proportionaliteit
4.5.
Het bovenstaande betekent nog niet dat de vordering tot ontruiming zonder meer kan worden toegewezen. De rechter moet de proportionaliteit van de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning toetsen. Indien een verhuurder gebruik maakt van haar bevoegdheid de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, moet beoordeeld worden of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot ontbinding (6:248 lid 2 BW). Immers, een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een woning vormen een inbreuk op het beschermde recht op respect voor de woning van een bewoner (artikel 8 EVRM Pro). Bij die toetsing moet de kantonrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en een belangenafweging maken.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat het belang van De Alliantie zwaarder weegt dan het belang van [A] bij behoud van zijn woning. In dat kader wordt het volgende overwogen. Bij toewijzing van de vordering, verliest [A] zijn woning. Dit weegt echter onvoldoende zwaar en [A] heeft ook niet nader toegelicht dat hij hierdoor concreet in de problemen komt. De gevorderde ontruiming van de woning is voor hem weliswaar ingrijpend, maar het is niet aannemelijk geworden dat hij daardoor in een noodsituatie terecht komt.
4.7.
Vaststaat dat de in de woning van [A] aangetroffen hoeveelheid harddrugs een hoeveelheid betreft die ruimschoots een gebruikershoeveelheid overschrijdt. Onbetwist is dat die aangetroffen hoeveelheid moet worden aangemerkt als een handelshoeveelheid. De Alliantie is als woningcorporatie gehouden bij te dragen aan de leefbaarheid en veiligheid in de buurten en wijken waar haar woningen zich bevinden. De Alliantie heeft daarom groot belang bij het bestrijden van de handel in verdovende middelen in haar woningen. Door de handel van hard- en softdrugs in en vanuit een woning wordt criminaliteit aangetrokken en het imago van de wijk aangetast. Het is De Alliantie dan ook alles aan gelegen om een streng beleid (zerotolerancebeleid) te voeren om handel in drugs in haar woningen te ontmoedigen en precedentwerking te voorkomen. Een feitelijke beëindiging van het gebruik van de woning door [A] beantwoordt aan dat doel.
Conclusie
4.8.
Bij deze stand van zaken is te verwachten dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden, zodat vooruitlopend daarop in dit kort geding de ontruiming zal worden toegewezen. Wat De Alliantie subsidiair aan haar vordering tot ontruiming ten grondslag legt, zal dan ook niet behandeld worden. [A] moet de woning verlaten en leeg en netjes achterlaten. De bewindvoerder zal als formele procespartij hiertoe veroordeeld worden. Hij krijgt hiervoor 3 dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat de deurwaarder dit vonnis aan hem bezorgt.
Maandelijkse vergoeding
4.9.
Na de ontbinding van de huurovereenkomst tot de ontruiming van het gehuurde moet de bewindvoerder aan De Alliantie dezelfde maandelijkse vergoeding betalen (eventueel geïndexeerd) die hij ook vóór de ontbinding maandelijks aan De Alliantie betaalde. Daarbij moet rekening gehouden worden met al gedane tussentijdse betalingen.
Ontruimingskosten
4.10.
De Alliantie vordert ook een vergoeding voor de kosten van de ontruiming van het gehuurde. Deze vordering zal worden afgewezen. Op grond van de wet (artikel 237 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) kan de partij die ongelijk krijgt alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt, dan wel kosten die nog niet zijn gemaakt, maar zich al wel laten begroten. Dat is niet het geval bij ontruimingskosten; deze kosten worden namelijk (mogelijk) na het ontruimingsvonnis gemaakt en laten zich niet op voorhand begroten. Op de datum van het ontruimingsvonnis staat nog niet vast of deze kosten gemaakt zullen worden en hoe hoog deze kosten mogelijk zullen zijn. De Alliantie zal daarom een nieuwe procedure kunnen starten waarin zij de eventuele executiekosten kan vorderen.
Proceskosten
4.11.
De bewindvoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de kant van De Alliantie worden begroot op:
- betekening oproeping € 125,03
- griffierecht € 676,00
- salaris advocaat €
656,00
Totaal € 1.457,03
Uitvoerbaarheid bij voorraad4.12. Dit vonnis zal, zoals gevorderd en onweersproken gelaten door de bewindvoerder, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat wil zeggen dat een eventueel hoger beroep het vonnis niet opschort. De Alliantie heeft belang bij het op korte termijn mogen ontruimen van het gehuurde; van haar kan niet worden gevergd dat zij [A] opnieuw toelaat tot het gehuurde en moet wachten op een uitspraak in hoger beroep.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle daarin vanwege [A] aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van De Alliantie zijn, en de sleutels af te geven aan De Alliantie,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van € 655,35 per maand vanaf 18 augustus 2022 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, voor zover deze niet al zijn betaald;
5.3.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de kant van De Alliantie tot op heden begroot op € 1.457,03,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam en bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Haeck op 11 november 2022.