Deze civiele bodemzaak betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator van een failliete vennootschap, aangesproken door de verzekeraar van de bestuurders wegens het voeren van een procedure die volgens hen op voorhand kansloos was. De curator had een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure aangespannen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, gebaseerd op schending van de administratieplicht en een onrechtmatige overname.
De rechtbank stelt vast dat het Nederlandse recht van toepassing is en dat de curator de procedure met toestemming van de rechter-commissaris is gestart. Allianz, de verzekeraar, vordert vergoeding van de proceskosten van de bestuurders, stellende dat de curator misbruik van procesrecht heeft gemaakt door een procedure te voeren waarvan hij wist dat deze geen kans van slagen had.
De rechtbank oordeelt dat terughoudendheid geboden is bij het aannemen van misbruik van procesrecht en dat dit alleen kan worden aangenomen bij evidente ongegrondheid en kennis daarvan door de eiser. Uit het vonnis van 2 augustus 2019 blijkt dat de curator voldoende gronden had om de procedure te starten, en dat het feit dat de procedure werd verloren niet automatisch misbruik betekent.
De curator had een redelijk vermoeden dat de administratie niet volledig was en baseerde daarop zijn procedure. De rechtbank concludeert dat geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en wijst de vorderingen van Allianz af. Allianz wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten van de curator, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.