Uitspraak
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
[derde partij 1]en
[derde-partij 2], te [plaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan vergunninghouder verleende voor het bouwen van een dakterras, twee dakkapellen en het vervangen van dakramen. Het bezwaar werd door het college ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het toetsingskader voor de omgevingsvergunning, zoals neergelegd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, limitatief is en dat het college een gebonden beschikking moest verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit en de bouwverordening. Het bouwplan paste volgens het college binnen de beheersverordening omdat het bestaande dak werd verlaagd en vervangen door een dak van dezelfde afmeting, waardoor het bouwvolume afneemt.
Eiser stelde dat het dakterras niet binnen de beheersverordening viel en dat er inkijk in zijn woning zou ontstaan. De rechtbank volgde dit niet, omdat er geen nieuw bouwwerk bijkomt en het dakterras in overeenstemming is met de beheersverordening. Ook het vermeende dakluik maakt geen onderdeel uit van de vergunning.
De rechtbank concludeerde dat het college de omgevingsvergunning terecht had verleend en dat belangenafwegingen zoals privacy bij een gebonden beschikking niet meegenomen kunnen worden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.