ECLI:NL:RBMNE:2022:744

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2022
Publicatiedatum
28 februari 2022
Zaaknummer
UTR 20/4037
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na intrekking besluit en toekenning proceskosten

Eiser diende bezwaar in tegen een besluit van 4 juni 2020 en vervolgens beroep tegen een besluit van 29 oktober 2020. Verweerder trok het besluit van 29 oktober 2020 op 27 november 2020 in, waarmee het geschil feitelijk kwam te vervallen.

Hoewel eiser het beroep niet introk, had hij geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank besloot het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en behandelde de inhoudelijke zaak niet.

Daarnaast verzocht eiser om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder reageerde niet op dit verzoek, waaruit de rechtbank concludeerde dat verweerder geen bezwaar had tegen vergoeding. Daarom werd verweerder veroordeeld tot betaling van €759,- aan proceskosten en het griffierecht.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.G. Nicholson en griffier J. Fagel op 4 maart 2022, zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €759,- aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4037

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2022 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: I. Garlemos),
en

CAK Bezwaar en Beroep, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 3 september 2020 bezwaar ingediend tegen het primaire besluit van 4 juni 2020. Vervolgens heeft verweerder op 29 oktober 2020 een beslissing op bezwaar genomen en daartegen heeft eiser op 9 november 2020 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 27 november 2020 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarin hij eisers bezwaren gegrond heeft verklaard en het besluit van 4 juni 2020 heeft ingetrokken. Eiser heeft daarna gevraagd om een vergoeding voor zijn proceskosten, maar niet het beroep ingetrokken.
Verweerder heeft niet gereageerd op eisers verzoek om vergoeding van zijn proceskosten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend tegen het besluit van 29 oktober 2020 en eisers verzoek om vergoeding van zijn proceskosten.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
3. Verweerder heeft op 29 oktober 2020 een besluit genomen. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Op 27 november 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 29 oktober 2020 en dat hij dit besluit intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde. Eiser heeft dan ook geen procesbelang meer bij de beoordeling van zijn beroep. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroep niet heeft ingetrokken.
4. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
5. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van eiser om een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te vergoeden.
6. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Awb).
7. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op
€ 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 759,-).
8. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser betalen (artikel 8:4, zevende lid,
van de Awb). Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, zal eiser zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 759,- aan proceskosten;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.