ECLI:NL:RBMNE:2022:762

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 maart 2022
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
16/098731-19 (TUL BIJZ)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:21 SvArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke jeugddetentie wegens overtreden voorwaarden

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 maart 2022 de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 188 dagen. Deze straf was onderdeel van een vonnis van 14 januari 2020, waarbij veroordeelde was veroordeeld tot 365 dagen jeugddetentie, waarvan 188 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf omvatten onder meer meldplicht bij de reclassering, naleving van aanwijzingen, medewerking aan woonvoorziening en ambulante behandeling, en het hebben van een dagbesteding. Uit een rapportage van 21 januari 2022 bleek dat veroordeelde deze voorwaarden meerdere malen had overtreden, waaronder het niet nakomen van afspraken en structureel te laat komen.

Tijdens de zitting op 15 februari 2022, waar veroordeelde niet verscheen, bevestigde de officier van justitie de vordering tot tenuitvoerlegging. De verdediging voerde aan dat veroordeelde overspannen is en een burn-out heeft, en verzocht primair om een laatste kans en subsidiair om omzetting van de jeugddetentie in een taakstraf.

De rechtbank oordeelde dat de overtredingen van de bijzondere voorwaarden voldoende waren om de tenuitvoerlegging toe te wijzen en zag geen reden om de straf om te zetten of een laatste kans te geven. De vordering werd daarom toegewezen en de voorwaardelijke jeugddetentie van 188 dagen werd gelast.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van 188 dagen jeugddetentie toe wegens overtreding van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/098731-19 (TUL BIJZ)
Beslissing op grond van artikel 6:6:21, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 1 maart 2022
op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [2001] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna: veroordeelde.

1.De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:
- het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2020 in de zaak tegen veroordeelde met voormeld parketnummer, waarbij veroordeelde onder meer is veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen, waarvan 188 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze voorwaardelijke straf heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden verbonden, welke na wijziging bij beslissing van 5 oktober 2021 inhielden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
• zich dient te houden aan een meldplicht bij Reclassering Nederland voor zolang de
reclassering dit nodig acht. De reclassering bepaalt de frequentie van de meldplichten;
• zich dient te houden aan aanwijzingen zoals die door de reclassering worden opgelegd;
• mee dient te werken aan opname in een woonvoorziening, in de vorm van begeleid dan wel beschermd wonen, bijvoorbeeld bij Kwintes of Room4You te Almere of een soortgelijke instelling, indien en voor zolang de reclassering dit nodig acht;
• mee dient te werken aan ambulante behandeling door De Waag of soortgelijke instelling, voor zolang de reclassering dit nodig acht;
• mee dient te werken aan het hebben en behouden van een dagbesteding in de vorm van opleiding of (al dan niet betaald) werk, controleerbaar door de reclassering, voor minimaal 3 dagen per week;
- de mededeling als bedoeld in artikel 366a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is op 14 mei 2020 per post aan veroordeelde toegezonden
- het advies van Reclassering Nederland van 21 januari 2022 tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf;
- de op 7 februari 2022 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf;
- de overige stukken die zich in het dossier bevinden.

2.Het onderzoek ter terechtzittingHet onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 15 februari 2022. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie mr. C.J. Booij;
- de raadsvrouw, mr. W.M. van der Most, advocaat te Almere;
- de moeder van veroordeelde.
De rechtbank stelt vast dat de oproeping van de terechtzitting van heden op de bij wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden, maar dat veroordeelde niet ter terechtzitting is verschenen.

3.De rapportage

In het adviesrapport van 21 januari 2022 wordt weergegeven dat veroordeelde de voorwaarden heeft overtreden. Zo heeft veroordeelde zich meerdere malen niet aan de afspraken bij de reclassering gehouden en is hij diverse malen zonder tegenbericht afwezig geweest. Daarnaast is hij structureel te laat bij afspraken waarbij hij wel aanwezig was. Met tussenpozen is veroordeelde telefonisch onbereikbaar geweest. Het verzuim is met hem besproken. Ondanks dat veroordeelde beterschap beloofde, liet hij geen verbetering zien. Door de houding van veroordeelde ziet de reclassering geen mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking. Na de retourmelding op 26 juni 2021 heeft veroordeelde op 5 oktober 2022 nog een kans gekregen en is het toezicht van jeugdreclassering overgedragen naar Reclassering Nederland. Hoewel veroordeelde wekelijkse afspraken bij de reclassering heeft gehad en na het intakegesprek bij De Waag in behandeling is genomen, houdt hij zich niet aan de afspraken met zowel de reclassering als met De Waag. De Waag heeft de behandeling negatief afgesloten omdat de behandeling niet kon worden opgestart.

4.De standpunten

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat veroordeelde een deel van de bijzondere voorwaarden positief heeft afgesloten en sinds de veroordeling geen ernstige strafbare feiten meer heeft gepleegd. Voorts geldt dat veroordeelde overspannen is en een burn-out heeft. Het kan zijn dat veroordeelde is overvraagd. Iemand die overspannen is maakt soms onbegrijpelijke beslissingen. Indien veroordeelde de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zou moeten uitzitten dan zal hij de schadevergoeding die hij moet betalen niet meer kunnen voldoen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank primair om veroordeelde een laatste kans te geven. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de voorwaardelijke jeugddetentie om te zetten in een taakstraf.

5.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit het rapport en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden heeft overtreden. De rechtbank ziet geen redenen om veroordeelde alsnog een kans te geven, noch de ten uitvoer te leggen jeugddetentie om te zetten in een taakstraf in de vorm van een werkstraf.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
-
wijstde vordering
toe;
-
gelastde tenuitvoerlegging van de straf van 188 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van 14 januari 2020.
Deze beslissing is genomen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter,
mrs. H. den Haan en J. van Zeijts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2022.
Mrs. Van Zeijts en Nahumury zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.