Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
2.De feiten
overwegende dat:
3.Het geschil
4.De beoordeling
746,00(2 punten x tarief € 373,00)
Rechtbank Midden-Nederland
Op 2 mei 2016 verstrekte eiser een geldlening van €14.000 aan gedaagde sub 1 en sub 2, bedoeld voor de financiering van een vof die zij wilden oprichten. De vof is echter nooit formeel opgericht en gedaagde sub 1 werd geen vennoot, maar werknemer. Eiser vorderde hoofdelijke veroordeling van beiden tot terugbetaling van de lening plus rente en incassokosten.
De rechtbank stelde vast dat de leningsovereenkomst niet met een vof was gesloten, maar met de natuurlijke personen gedaagde sub 1 en sub 2. Er was geen sprake van een vof-schuld en dus geen hoofdelijke aansprakelijkheid. De vordering was opeisbaar vanaf 30 april 2020, ondanks het achterstellingsbeding, omdat geen bewijs was geleverd van andere schuldeisers.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser in schuldeisersverzuim was jegens gedaagde sub 2 vanaf 1 april 2017 tot de dagvaarding, waardoor contractuele rente over die periode niet toekomt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning. Proceskosten werden deels toegewezen aan eiser tegen gedaagde sub 1 en gecompenseerd tussen eiser en gedaagde sub 2. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde sub 1 en sub 2 worden ieder voor de helft veroordeeld tot betaling van €14.000 met rente vanaf 6 mei 2016, waarbij gedaagde sub 2 geen rente verschuldigd is over periode schuldeisersverzuim; hoofdelijke aansprakelijkheid wordt afgewezen.