ECLI:NL:RBMNE:2023:1089

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
552531 / HA RK 23-27
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter ongegrond verklaard wegens gebrek aan objectieve vooringenomenheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in lopende zaken vanwege vermeende vooringenomenheid, gebaseerd op eerdere beslissingen en de aanwijzing van een deskundige met hoge kosten. De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro, waarbij onpartijdigheid centraal staat.

De kamer overweegt dat wraking niet dient als verkapt rechtsmiddel en dat onvrede over inhoudelijke beslissingen niet leidt tot een gegronde wraking. Afstemming tussen rechters over soortgelijke zaken met dezelfde partijen leidt niet tot vooringenomenheid. Er zijn geen objectieve feiten of omstandigheden die de vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.

De wrakingskamer concludeert dat de rechter onpartijdig is en verklaart het wrakingsverzoek ongegrond. De lopende procedures worden voortgezet in de stand waarin zij waren bij de schorsing. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedures worden voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Almere
Zaaknummer/rekestnummer: 552531 / HA RK 23-27
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 10 maart 2023
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoeker).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het wrakingsverzoek van verzoeker van 14 februari 2023;
  • de schriftelijke reactie van mr. H.M.M. Steenberghe van 20 februari 2023.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 24 februari 2023 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • verzoeker;
  • mr. H.M.M. Steenberghe.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. H.M.M. Steenberghe als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaken met zaaknummers 22-74 en 23-8. Dit betreft procedures tussen mw [A] en de [VvE] , waarvan verzoeker bestuurder is. Eerder hebben procedures tussen (onder meer) dezelfde partijen gediend bij deze rechtbank onder de zaaknummers 22-2, 22-19 en 21-99. Mr. H.M.M. Steenberghe was ook behandelend rechter in de zaken met zaaknummers 22-2 en 22-19.
2.2.
Verzoeker heeft - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. De rechter heeft op de zitting van 24 februari 2022 in de zaak met zaaknummer 22-2 nagelaten aan de wederpartij op te dragen haar belang in de zaak aan te tonen. Er is in plaats daarvan door de rechter zonder nadere motivering een deskundige aangewezen om het belang van de wederpartij in het geding te onderzoeken (beschikking van 21 april 2022), waarbij de rechter ter zitting heeft gezegd dat hij ‘maar een simpele jurist is’. De kosten van deze deskundige zijn buitensporig, namelijk een voorschot van € 18.000,-, en staan niet in verhouding tot het financiële belang van de zaak. De Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE) waar verzoeker bestuurder van is, heeft dan ook niet haar deel (de helft) van het bedrag betaald. Verzoeker acht het betreurenswaardig dat de rechter in zijn beschikking van 22 december 2022 heeft verzuimd de reden van het niet betalen van het geldbedrag te vermelden. Tot slot heeft de rechter op de zitting van 24 februari 2022 gemeld dat hij de zaak met zaaknummer 22-2 zal ‘afstemmen’ met mr. R.M. Berendsen, die een andere zaak als kantonrechter heeft behandeld (21-99), waarin verzoeker tevens partij was. Nu de voormelde beslissingen van de kantonrechter dermate onbegrijpelijk zijn, heeft verzoeker geen vertrouwen meer in de onpartijdigheid van de rechter in de lopende zaken met de zaaknummers 22-74 en 23-8 die over nagenoeg dezelfde onderwerpen gaan als de eerder genoemde procedures. Het is immers te voorspellen hoe de rechter in deze procedures zal beslissen, aldus verzoeker.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De aangedragen feiten en omstandigheden zijn geen andere dan betreffende de inhoudelijke beoordeling van de zaken met zaaknummers 22-2 en 22-19 en de inhoud van de uitspraken die hij als kantonrechter daarin heeft gewezen. Wraking is geen rechtsmiddel. Indien verzoeker het niet eens is met de uitspraken in voormelde zaken, dient hij die door middel van het instellen van hoger beroep aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter beoordeling voor te leggen. Het feit dat de zaken 22-74 en 23-8 tussen dezelfde partijen zijn en min of meer over dezelfde onderwerpen gaan als die waarover hij reeds heeft beslist in de zaken 22-2 en 22-19, maakt niet dat zijn rechtelijke partijdigheid in de zaken 22-74 en 23-8 schade zou kunnen leiden. Dat in de lopende procedures mogelijk een zelfde beslissing wordt gegeven als in eerdere procedures tussen verzoeker en de wederpartij die over vergelijkbare kwesties gingen, maakt niet dat sprake is van vooringenomenheid, aldus de rechter.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van
de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel
vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke
vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de
indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier
van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor
partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd
vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De
wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven
beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer overweegt in de eerste plaats dat voor de toets van de inhoudelijke behandeling hoger beroep openstaat. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over juistheid van een (tussen)beslissing, noch over een verzuim te beslissen. Dat verzoeker een beslissing van de rechter (in deze of eerdere procedures) onbegrijpelijk vindt, is evenmin grond voor wraking. Een oordeel over (de begrijpelijkheid van) een rechterlijke (tussen)beslissing is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
Wat betreft de grief van verzoeker ten aanzien van de afstemming tussen de rechter en mr. Berendsen overweegt de wrakingskamer dat de omstandigheid dat er een zekere lijn tussen kantonrechters wordt afgestemd met betrekking tot zaken waarbij het gaat om soortgelijke vorderingen en dezelfde partijen, niet maakt dat de rechter vooringenomen is, dan wel dat de vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is.
3.5.
Ten aanzien van de nog door de rechter te nemen beslissingen in de zaken 22-74 en 23-8 overweegt de wrakingskamer dat veelal tot vergelijkbare oordelen zal worden gekomen in zaken met vergelijkbare feiten tussen dezelfde partijen met dezelfde standpunten. Dit betekent echter niet dat de rechter vooringenomen is, dan wel dat de vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is. Er zijn geen objectieve omstandigheden gebleken die de vrees rechtvaardigen dat de rechter bij de behandeling van de zaken 22-74 en 23-8 niet (meer) open zal staan voor andere argumenten dan wel invalshoeken. Ter zitting heeft verzoeker gezegd dat hij graag zou willen dat een andere rechter, die wellicht een andere visie heeft, zijn zaken behandelt. De wrakingskamer verwijst in dat kader naar wat zij hiervoor heeft overwogen: als verzoeker het niet eens is met de inhoudelijke beoordeling van zijn zaken, is het instellen van hoger beroep daarvoor de aangewezen weg.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter, andere betrokken partijen, de voorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedures van verzoeker met de zaaknummers 22-74 en 23-8 moeten worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mrs. L.C. Michon en M.M. Janssen-Witteveen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.N. Aalders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2023.
De griffier is buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.
de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.