ECLI:NL:RBMNE:2023:1187
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning ongegrond verklaard door rechtbank
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een woonplaats, welke door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €250.000 per 1 januari 2021. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €235.000 voor, onderbouwd met de verkoopprijs van een vergelijkbare woning die onderdeel is van hetzelfde project.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen in dezelfde straat en omgeving zijn opgenomen, die rondom de waardepeildatum zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar op juiste wijze rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woningen.
Eiser voert aan dat één referentiewoning identiek is en een lagere verkoopprijs had, maar de rechtbank stelt dat de WOZ-waarde niet kan worden gebaseerd op één enkele verkoop. Daarnaast is het gebruikelijk om meerdere referentiewoningen te gebruiken en verkoopprijzen te corrigeren naar de waardepeildatum.
Verder is het aangevoerde verschil in voorzieningen en onderhoud door eiser niet voldoende om de waarde aan te passen, mede omdat de heffingsambtenaar al rekening heeft gehouden met ondergemiddelde voorzieningen. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €250.000 wordt bevestigd.