ECLI:NL:RBMNE:2023:1201
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde hoekwoning in Utrecht
Eiser betwistte de WOZ-waarde van zijn hoekwoning in Utrecht, vastgesteld op €579.000 per 1 januari 2020, en stelde dat de waarde niet hoger kon zijn dan €546.000. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde deze met een taxatiematrix waarin vijf referentiewoningen werden vergeleken.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. De referentiewoningen waren grotendeels vergelijkbaar en de verkoopprijzen lagen rond de waardepeildatum. De door eiser aangevoerde bezwaren, waaronder twijfels over een referentiewoning en waardedrukkende factoren zoals nabijheid van een zorginstelling, werden door de rechtbank niet gevolgd.
De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen woningen en dat de invloed van de nabijgelegen zorginstelling verwaarloosbaar was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €579.000 wordt ongegrond verklaard.