ECLI:NL:RBMNE:2023:1203

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
UTR 22/4569
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 GemeentewetBesluit proceskosten bestuursrechtAanwijzingsbesluit onbezoldigd ambtenaren 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar parkeerbelasting wegens onbevoegdheid maar bekrachtiging rechtsgevolgen

Op 27 mei 2022 werd een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan Intercol B.V. omdat een auto zonder betaling geparkeerd stond in Nieuwegein. Eiser stelde bezwaar tegen deze naheffingsaanslag, maar dit bezwaar werd door een medewerker van Coöperatie ParkeerService U.A. ongegrond verklaard. Eiser betoogde dat deze uitspraak op bezwaar onbevoegd was omdat niet was gebleken dat de medewerker mandaat had van de heffingsambtenaar.

De rechtbank stelde vast dat de uitspraak op bezwaar niet door de heffingsambtenaar zelf was gedaan, maar door een medewerker zonder naamvermelding en zonder mandaatbesluit. Dit maakte de uitspraak op bezwaar onbevoegd. Echter, de directeur van Coöperatie ParkeerService U.A., die op grond van het Aanwijzingsbesluit onbezoldigd ambtenaren 2020 als heffingsambtenaar was aangewezen, had de uitspraak op bezwaar achteraf bekrachtigd.

Omdat eiser geen inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag had aangevoerd en de bekrachtiging rechtsgeldig was, besloot de rechtbank de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand te laten. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd wegens onbevoegdheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege bekrachtiging door de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4569
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwegein (de heffingsambtenaar)

(gemachtigde: F.K. Darar).

Zitting

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2023. Namens eiser is mr. N.G.A. Voorbach verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door F.K. Darar. Daarnaast is van de Coöperatie ParkeerService U.A. de heer [naam 1] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Op 27 mei 2022 stond de auto met het kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de Brinkwal in de gemeente Nieuwegein. Tijdens een controle is vastgesteld dat de auto daar om 12:26 uur stond geparkeerd zonder dat er parkeerbelasting was betaald. Daarom is aan Intercol B.V. een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 67,20 (€ 0,70 kosten parkeerbelasting en € 66,50 naheffingskosten) (de naheffingsaanslag). Eiser heeft daartegen bezwaar ingesteld. Dat bezwaar is in de uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2022 ongegrond verklaard.
2. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is gedaan, omdat niet is gebleken dat de heffingsambtenaar van de gemeente Nieuwegein mandaat heeft verschaft aan de medewerker die de uitspraak op bezwaar heeft gedaan.
3. Op grond van artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd om gemeentelijke belastingen, zoals parkeerbelasting, te heffen. Het college van burgemeester en wethouders wijst de heffingsambtenaar aan.
4. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar is gedaan door een medewerker team Parkeerrechten van Coöperatie ParkeerService U.A., namens de heffings- en invorderingsambtenaar van Coöperatie ParkeerService U.A. en dat er geen naam van die medewerker in de uitspraak op bezwaar staat.
5. In deze zaak is het Aanwijzingsbesluit onbezoldigd ambtenaren 2020 van toepassing. Uit artikel II, aanhef en onder A, van dat Aanwijzingsbesluit volgt dat de directeur van Coöperatie ParkeerService U.A., de heer [naam 2] , is aangewezen als heffingsambtenaar voor de gemeentelijke parkeerbelastingen.
6. De conclusie is dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen
.
In deze zaak heeft niet de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar genomen, maar een onbekende medewerker van team Parkeerrechten van de Coöperatie ParkeerService U.A., namens de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft ook geen mandaatbesluit overgelegd, waaruit blijkt dat de directeur aan de functie medewerker team Parkeerrechten van Coöperatie ParkeerService U.A. mandaat heeft verleend om namens hem te beslissen op bezwaarschriften tegen naheffingsaanslagen.
7. De directeur-bestuurder van Coöperatie Parkeerservice U.A. heeft met een brief van 27 mei 2022 de uitspraak op bezwaar bekrachtigd. Omdat de directeur-bestuurder op grond van het hiervoor genoemde aanwijzingsbesluit de heffingsambtenaar is en dat ook zo was op de datum van het belastbare feit, 27 mei 2022, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar bevoegd is bekrachtigd.
8. Het beroep is gegrond omdat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat de uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar achteraf is bekrachtigd en eiser geen inhoudelijke gronden tegen het opleggen van de naheffingsaanslag heeft aangevoerd ziet de rechtbank, met partijen, aanleiding om de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand te laten.
9. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt en veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiser in de beroepsfase gemaakte proceskosten. Zij stelt de vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837). Daarbij hanteert de rechtbank een wegingsfactor 0,5, omdat sprake is van een parkeerbelastingzaak. De proceskosten voor de bezwaarfase worden niet vergoed, omdat de naheffingsaanslag niet wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.