Uitspraak
(verder te noemen: verzoekster).
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek tot verschoning van een bestuursrechter in een procedure over openbaarmaking van stukken. Verzoekster, bestuursrechter, heeft een broer die als leidinggevende werkzaam is op de afdeling waarop de gevraagde stukken betrekking hebben. Dit schept een situatie waarin twijfel kan ontstaan over haar onpartijdigheid.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij is overwogen dat verschoning dient ter waarborging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Ook de schijn van partijdigheid kan reden zijn voor verschoning, omdat het vertrouwen in het rechterlijk apparaat moet worden gewaarborgd.
Gezien de privérelatie en de mogelijke schijn van partijdigheid heeft de kamer het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. De beslissing is genomen zonder mondelinge behandeling en is openbaar uitgesproken op 24 maart 2023. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter is gegrond verklaard vanwege een privérelatie die twijfel aan onpartijdigheid veroorzaakt.