De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met mensenhandel, mensensmokkel en witwassen in de periode van januari 2019 tot maart 2021. De zaak werd inhoudelijk behandeld tijdens meerdere zittingen tussen mei 2022 en maart 2023, waarbij verdachte werd vertegenwoordigd door zijn advocaat.
De officier van justitie en de verdediging waren het eens dat de tenlastelegging niet bewezen kon worden. De rechtbank concludeerde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte opzettelijk deelnam aan de criminele organisatie. Hierdoor werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Daarnaast bepaalde de rechtbank dat de in beslag genomen pillen en geldbedragen aan verdachte moesten worden teruggegeven. De rechtbank zag geen reden om de zaak aan te houden voor het horen van een getuige door de rechter-commissaris, aangezien dit het bewijs niet zou versterken.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en was gebaseerd op een zorgvuldige afweging van het dossier, de processtukken en de standpunten van partijen.