Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
brief. In deze brief heeft verdachte onder meer het volgende geschreven:
proces-verbaal van verhoor van verdachtevan 30 maart 2022 volgt dat verdachte onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard (onder A:):
proces-verbaal van bevindingenvan 30 maart 2022 volgt dat verbalisant [verbalisant 1] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:
proces-verbaal van bevindingenvan 17 maart 2022 volgt dat verbalisant [verbalisant 2] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft geverbaliseerd:
proces-verbaal van bevindingenvan 29 maart 2022 volgt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, hebben geverbaliseerd:
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
Vanwege de ernst van de feiten is een (ten minste gedeeltelijk) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
De rechtbank ziet echter een aantal omstandigheden die zij in het voordeel van verdachte laat meewegen. Verdachte is 66 jaar oud en heeft geen justitieel verleden. Uit het dossier blijkt niet dat zij financieel geprofiteerd heeft van haar delicten. Zij lijkt een en ander op verzoek van haar broer te hebben gedaan. Verdachte heeft reeds 47 dagen in voorarrest gezeten en die periode heeft blijkens haar verklaringen ter terechtzitting veel indruk gemaakt. Vanuit een oogpunt van speciale preventie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest dan ook niet meer noodzakelijk en kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Vanuit een oogpunt van normhandhaving acht de rechtbank wegens de ernst van het feit daarnaast oplegging van een taakstraf nodig.
Dat de rechtbank slechts 125.000 blotters bewezen acht en het openbaar ministerie 17.000 meer, geeft geen reden voor een lagere straf omdat uit het dossier ook duidelijk wordt dat het om meer gegaan moet zijn dan de aantallen die ‘hard’ uit de beschikbare bewijsmiddelen volgen. Zeker nu openbaar ministerie en rechtbank vanwege de persoonlijke omstandigheden ten gunste van verdachte hebben afgeweken van oriëntatiepunten, is de bestraffing passend bij het lager bewezen verklaarde aantal.
De rechtbank merkt ter voorlichting van verdachte op dat de reclassering voldoende handvatten heeft om invulling te geven aan een taakstraf en daarbij in te spelen op de fysieke beperkingen van verdachte.
9.BESLAG
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2, 10 van de Opiumwet,
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;
gedeelte van 43 (drieënveertig) dagen, nietzal worden ten uitvoer gelegd,
tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;