ECLI:NL:RBMNE:2023:1598

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
7 april 2023
Zaaknummer
16-274964-20
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 141 lid 2 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs openlijk geweld in Utrecht

Op 7 maart 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het plegen van openlijk geweld op 25 september 2020 in Utrecht. De officier van justitie en de verdediging hebben beiden vrijspraak bepleit. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bewijs onvoldoende is om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Getuigenverklaringen verschilden over de betrokkenheid van verdachte; slechts de benadeelde partij verklaarde dat verdachte aanwezig was, maar deze verklaring werd niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De benadeelde partij had zich als partij in het geding gevoegd en een schadevergoeding van €42.425,32 gevorderd. Gezien de vrijspraak verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en verwees haar naar de burgerlijke rechter. Tevens werden de kosten van de benadeelde partij ten aanzien van het verweer tegen de vordering tot op heden begroot op nihil en aan de benadeelde partij opgelegd.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-274964-20 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 maart 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen mr. S. Melliti, advocaat te Utrecht, namens verdachte, alsmede hetgeen mr. P. Meijer, advocaat te Rotterdam, namens de benadeelde partij [benadeelde] , naar voren heeft gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 25 september 2020 in Utrecht openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] met lichamelijk letsel als gevolg.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.VRIJSPRAAK

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij drie personen geweld heeft zien uitoefenen op een ander persoon, dat de derde persoon uit een lichtkleurige auto kwam, het slachtoffer schopte en kort daarna weer in deze auto stapte en wegreed.
[benadeelde] heeft wel verklaard dat verdachte vanaf het begin van het incident aanwezig was. Hij spreekt echter van een donkerkleurige BMW waarin de verdachten reden.
Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat alleen [benadeelde] verklaart over de betrokkenheid van [verdachte] , de broer van [A] . Deze verklaring wordt niet door andere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund. Onder deze feiten en omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde feit.

5.BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van
€ 42.425,32, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
5.1
Het standpunt van de officier van justitie
Gelet op de gevorderde vrijspraak, concludeert de officier van justitie dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak, verzoekt de raadsvrouw primair dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het behandelen van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is, zeker gelet op het feit dat de vordering één dag voor de zitting is ingediend en in totaal 64 pagina’s beslaat.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

6.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij;
Benadeelde partij [benadeelde]
  • verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 maart 2023.
Mr. Verschoor-Bergsma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 september 2020 te Utrecht openlijk, te weten op de Koningin Wilhelminalaan , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door:
- met een mes althans met een scherp voorwerp op/in de arm althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] te steken en/of
- op/tegen het hoofd althans het lichaam te slaan, te stompen en/of te schoppen,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden zenuw (in de arm) voor die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad;
(Artikel 141 lid 2 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
(art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht)