Op 25 september 2020 heeft verdachte samen met een medeverdachte openlijk geweld gepleegd tegen het slachtoffer in Utrecht, waarbij het slachtoffer een ernstige steekwond en andere verwondingen opliep. De rechtbank acht het bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken, geslagen en geschopt, ondanks dat niet exact vastgesteld kon worden wie de steekwond heeft toegebracht.
Verdachte voerde een beroep op noodweer aan omdat het slachtoffer hem met een vuurwapen probeerde te schieten, maar de rechtbank verwierp dit beroep omdat de noodweersituatie was beëindigd toen het slachtoffer wegrende. Ook het beroep op burgeraanhouding werd verworpen omdat verdachte en medeverdachte het slachtoffer mishandelden en niet direct aan de politie overleverden.
De rechtbank hield rekening met het scenario dat het slachtoffer als eerste schoot met een haperend wapen, wat strafverminderend werkte. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis bij niet-naleving, met aftrek van tijd in voorlopige hechtenis.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim €42.000, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk vanwege de late indiening en de onevenredige belasting voor het strafproces. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
De rechtbank wees het strafbare feit aan als openlijke geweldpleging met letsel en verklaarde verdachte strafbaar. Het vonnis werd gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, en mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, rechters.