ECLI:NL:RBMNE:2023:1651

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 februari 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
UTR 22/4097
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen

Verzoekster diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om herbeoordeling van een uitkeringsbesluit. Verweerder nam uiteindelijk een besluit waarbij de volledige dwangsom werd toegekend en kende een IVA-uitkering toe. Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder conform de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gehouden is de proceskosten te vergoeden. Gezien het lichte karakter van het beroep werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast, resulterend in een proceskostenvergoeding van €418,50. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2023 door rechter S.C.A. van Kuijeren.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €418,50 aan proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4097

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2023 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: N.C. van Klaveren-Schoemaker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingediend tegen het niet op tijd beslissen op haar verzoek om herbeoordeling.
Op 10 mei 2022 heeft verweerder een besluit genomen waarin de volledige dwangsom aan verzoekster is toegekend.
Op 14 oktober 2022 heeft verweerder een inhoudelijk besluit genomen en aan verzoekster een IVA-uitkering toegekend. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft daarop gereageerd geen bezwaar te hebben tegen een proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en daarbij, omdat het slechts gaat over het niet op tijd nemen van een besluit, een wegingsfactor 0,5 toe te passen.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft medegedeeld zich te conformeren aan een veroordeling conform het Bpb. Gelet op artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de rechtbank dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van licht gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de proceskosten.
4. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 van Pro de Awb)

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2023.
de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.