ECLI:NL:RBMNE:2023:1683
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning ongegrond verklaard door rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de door de heffingsambtenaar van de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2021, gesteld op € 325.000,-. Eiser betoogde een lagere waarde van € 291.000,-. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze heeft vastgesteld.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde omgeving, die qua bouwjaar, uitstraling en verkoopdatum voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woningen en dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser voerde diverse bezwaren aan, zoals het ontbreken van inzicht in de op de zaak betrekking hebbende stukken, onjuiste informatie over de kelder, de staat van onderhoud en isolatie, en de bruikbaarheid van het perceel. De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat de stukken digitaal en fysiek beschikbaar waren, de bouwvergunningen voor de kelder waren overgelegd, en de stellingen over onderhoud en perceel onvoldoende waren onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 24 maart 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.