Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] (de heffingsambtenaar)
Inleiding
Feiten
Indexeringspercentage
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €423.000 per 1 januari 2021 door de heffingsambtenaar van de gemeente. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de waarde correct is vastgesteld volgens de vergelijkingsmethode.
De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd met drie referentiewoningen die vergelijkbaar zijn qua locatie, bouwjaar en kenmerken. De rechtbank acht deze referenties geschikt en voldoende onderbouwd, ook de gehanteerde indexering is volgens de rechtbank verantwoord en toegelicht.
Eiser voerde diverse bezwaren aan, waaronder onvoldoende inzicht in stukken, onjuiste indexering, slechte isolatie en alternatieve referentieobjecten. Deze bezwaren zijn door de rechtbank gemotiveerd verworpen omdat eiser onvoldoende onderbouwing leverde en de heffingsambtenaar de gevraagde informatie beschikbaar stelde.
De rechtbank concludeert dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €423.000 is ongegrond verklaard.