In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de bouw van 16 woningen met gedeeltelijk ondergrondse garage, waarbij het geschil zich richt op het gebruik van opaakglas in de ramen van de eerste drie verdiepingen aan de achterzijde van het perceel. Verzoekster, eigenaar van het perceel, heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom die het college oplegde vanwege het niet toepassen van opaakglas conform de bouwvergunning eerste fase.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een overtreding omdat de bouwvergunning eerste fase het gebruik van opaakglas voorschrijft en deze vergunning onherroepelijk is. Tegelijkertijd is er concreet zicht op legalisatie omdat verzoekster een aanvraag voor wijziging naar doorzichtig glas heeft ingediend, die weliswaar is afgewezen, maar waartegen bezwaar is gemaakt en die het college in bezwaar opnieuw zal toetsen.
Daarom wordt de last onder dwangsom geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het verzoek om een voorlopige omgevingsvergunning te verlenen wordt afgewezen omdat dit te verstrekkend is. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster, inclusief redelijke kosten voor een deskundige. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.