Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
de rechtbank begrijpt telkens: [verbalisant 2]) en [verbalisant 3] de man konden staande houden. Ik hoorde dat [verbalisant 2] verklaarde dat zij gezien had dat beide mannen aan de voorzijde uit het pand waren gekomen en direct waren gaan rennen. De man werd vervolgens door mij en collega [verbalisant 4] aangehouden ter zake vermoedelijke overtreding van artikel 2/D en 10/4 van de Opiumwet.
AAPD7773NL#01,
AAPD7781NL#01,
AAPD7789NL#01,
AAPD7790NL#01
- [verdachte]
- Minimaal één andere persoon (zie toelichting 1)
- Niet van toepassing
- [verdachte]
- Minimaal één andere persoon (zie toelichting 1)
- Niet van toepassing
- [medeverdachte]
- Minimaal twee andere personen (zie toelichting 2)
- Niet van toepassing
- [medeverdachte]
- [verdachte]
- Meer dan 1 miljard
- [medeverdachte]
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2 en 10 van de Opiumwet,
10.BESLISSING
een gevangenisstraf van 30 maanden;
een gedeelte van 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.