Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
proces-verbaal van aangiftevan 27 september 2019 volgt dat aangever [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard (onder A):
proces-verbaal forensisch onderzoek persoonvan 29 november 2021 volgt dat verbalisant [verbalisant] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft bevonden:
proces-verbaal van verhoor getuigevan 4 november 2021 volgt dat [getuige 1] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard (onder A):
proces-verbaal van verhoor getuigevan 8 november 2021 volgt dat [getuige 2] , de vader van aangeefster, onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard (onder A):
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 19.350,-, bestaande uit een bedrag van € 9.350,- ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, ten aanzien van de materiële schade vanaf 23 januari 2023 en ten aanzien van de immateriële schade vanaf 1 juni 2011, tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2011 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 19.350,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, ten aanzien van de materiële schade vanaf 23 januari 2023 en ten aanzien van de immateriële schade vanaf 1 juni 2011, tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 131 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.