De rechtbank Midden-Nederland behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die drugstransporten tussen Nederland en Groot-Brittannië organiseerde. De ontnemingsvordering betrof het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald uit deze drugstransporten.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van bijna €13 miljoen, later gewijzigd naar €366.352,63, gebaseerd op een verdeelsleutel die rekening hield met de rol van veroordeelde en de bewezenverklaarde periode van betrokkenheid. De verdediging stelde primair afwijzing van de vordering voor en betwistte de omvang van het voordeel, met alternatieve berekeningen variërend van €20.570 tot €216.152,36.
De rechtbank oordeelde dat veroordeelde alleen verantwoordelijk was voor de twaalf transporten uit het zaaksdossier Rainham en niet voor andere transportlijnen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd daarom berekend op basis van deze twaalf transporten, met een verdeelsleutel die rekening hield met de rol van veroordeelde en medeveroordeelden. De rechtbank schatte het voordeel voor veroordeelde op €205.344,74. Na aftrek van €100.000,00 dat reeds verbeurd was verklaard, stelde de rechtbank de betalingsverplichting vast op €105.344,74.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer vijf maanden, maar achtte dit gelet op de complexiteit van de zaak niet reden voor verdere matiging. De betalingsverplichting werd opgelegd met een maximale gijzelingstermijn van 1.080 dagen.