ECLI:NL:RBMNE:2023:1861
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Utrecht, vastgesteld op €321.000 per 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen worden betrokken. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser voert diverse bezwaren aan, onder meer over de ligging van de woning en de gehanteerde referentiewoningen. Deze gronden worden door de rechtbank verworpen omdat de vergelijkingen adequaat zijn en de aangevoerde lagere verkoopprijzen niet marktconform zijn. Tevens heeft eiser bepaalde gronden ingetrokken.
Daarnaast stelt eiser dat het inlichtingenformulier niet aan zijn gemachtigde is verstrekt, wat een schending van artikel 7:4 en Pro 6:17 Awb oplevert. De rechtbank bevestigt dat de heffingsambtenaar dit had moeten doen, maar dat de informatieachterstand in de beroepsfase is hersteld. Daarom wordt het gebrek gepasseerd, maar wel leidt dit tot een proceskostenveroordeling ten gunste van eiser.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de WOZ-waarde, veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van €837 en draagt op het griffierecht van €50 te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.