Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
[voormalig werkgever], de voormalige werkgever (gemachtigde: mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor).
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser werkte gemiddeld 32 uur per week bij zijn voormalig werkgever en viel in 2019 uit door ziekte. Hij vroeg op 17 mei 2021 een WIA-uitkering aan, die het UWV vanaf 5 augustus 2021 toekende met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV legde geen loonsanctie op aan de werkgever en verklaarde het bezwaar van eiser tegen deze beslissing op 17 mei 2022 ongegrond.
Eiser stelde dat er wel re-integratiemogelijkheden waren en dat de werkgever onvoldoende had gere-integreerd, ondanks afspraken met de bedrijfsarts. Het UWV handhaafde zijn standpunt dat er sprake was van een situatie zonder benutbare mogelijkheden, gebaseerd op medische beoordelingen van verzekeringsartsen die stelden dat eiser medisch niet in staat was te werken en dit langer dan drie maanden zou duren.
De rechtbank beoordeelde of het UWV zorgvuldig en juist had gehandeld. De medische rapporten voldeden aan de vereisten van zorgvuldigheid, consistentie en begrijpelijkheid. Eiser kon zijn stelling niet onderbouwen met medische stukken. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde omdat er per einde wachttijd geen benutbare mogelijkheden waren.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 18 april 2023.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht geen loonsanctie opgelegd.