ECLI:NL:RBMNE:2023:1887
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar van de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, vastgesteld op € 431.000 per 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022. Hij stelde dat de waarde te hoog was en niet hoger mocht zijn dan € 389.000.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vier vergelijkbare referentiewoningen uit de omgeving werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen goed bruikbaar waren en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank nam daarbij ook de toelichting op de indexering van verkoopprijzen en de beoordeling van de staat van onderhoud en voorzieningen van de woning mee.
Eiser voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder onvoldoende rekening houden met gedateerde voorzieningen, scheurvorming in de woning en overlast door de ligging nabij horecapanden en het spoor. De rechtbank volgde deze gronden niet omdat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardering en de overlast was verdisconteerd in de referentiewoningen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 431.000 wordt ongegrond verklaard.