ECLI:NL:RBMNE:2023:1894
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde vrijstaande woning
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning aan een adres in een woonplaats, welke door de heffingsambtenaar initieel was vastgesteld op €215.000 en na bezwaar verlaagd naar €172.000. Eiser stelt dat de waarde niet hoger dan €115.000 kan zijn vanwege verzakkingen, achterstallig onderhoud en overlast door ligging.
De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met drie vergelijkbare vrijstaande woningen uit dezelfde bouwperiode, met correcties voor kwaliteit en ligging. De rechtbank acht deze vergelijking betrouwbaar en vindt dat de gehanteerde correcties voor staat en uitstraling van de woning, alsmede voor de ligging (waaronder overlast en bodemgesteldheid), adequaat en voldoende onderbouwd zijn.
De rechtbank weegt mee dat de herstelkosten niet een-op-een vertaald kunnen worden in waardevermindering en dat de WOZ-waarde jaarlijks op basis van actuele verkoopcijfers moet worden vastgesteld, waardoor een forse stijging ten opzichte van voorgaande jaren niet automatisch een te hoge waarde betekent.
Gelet op de onderbouwing en de toelichting acht de rechtbank de WOZ-waarde van €172.000 niet te hoog vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €172.000 wordt ongegrond verklaard.