Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verdachte] ,
[getuige 1] , geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Marokko),adres: [adres] te [woonplaats] ;
Rechtbank Midden-Nederland
In deze strafzaak heeft de verdediging bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens een schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De verdediging stelde dat de overschrijding van de redelijke termijn en het nalaten van tijdige communicatie over het niet vervolgen van terrorismefeiten een onherstelbare inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte betekende.
De officier van justitie voerde aan dat hoewel er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De rechtbank overwoog dat een overschrijding van de redelijke termijn op zichzelf geen grond is voor niet-ontvankelijkheid, tenzij sprake is van een uitzonderlijk ernstige en onherstelbare inbreuk die het recht op een eerlijk proces in gevaar brengt.
De rechtbank concludeerde dat ondanks het grote tijdsverloop en de impact op verdachte, er geen zodanige ernstige inbreuk is dat het OM niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De rechtbank zal eventuele gevolgen van het tijdsverloop en de onderzoeksbeperkingen betrekken bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Tevens beveelt de rechtbank de voeging van twee zaken en het horen van diverse getuigen, waarna het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk en wijst het preliminair verweer van niet-ontvankelijkheid af.