Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verdachte] ,
[getuige 1] , geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Marokko),adres: [adres] te [woonplaats] ;
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 28 april 2023 een zaak tegen verdachte die niet was verschenen, terwijl ook zijn raadsman afwezig was. De verdediging voerde een preliminair verweer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens een schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) door een forse overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging stelde dat het lange tijdsverloop onherstelbare schade had toegebracht aan de verdedigingsmogelijkheden van verdachte, mede door het late bericht dat de aanvankelijke verdenking van terrorisme niet langer van toepassing was.
Het Openbaar Ministerie betwistte dit en verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin werd vastgesteld dat een overschrijding van de redelijke termijn niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid. De rechtbank oordeelde dat hoewel er sprake was van een forse overschrijding en nadelige gevolgen voor verdachte, dit niet leidde tot een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces. De rechtbank benadrukte dat de mogelijke nadelen bij de bewijsvoering en verdediging in de inhoudelijke beoordeling zullen worden betrokken.
Daarnaast besloot de rechtbank tot voeging van twee zaken wegens proceseconomische redenen en wees zij verzoeken van de verdediging tot het horen van zeven getuigen toe, ondanks bezwaren van het Openbaar Ministerie. De zaak werd aangehouden voor onbepaalde tijd met een streefdatum voor inhoudelijke behandeling in november/december 2023.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.