ECLI:NL:RBMNE:2023:2000

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
C/16/553777 / KG ZA 23-118
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:169 BWArt. 237 RvArt. 238 RvArt. 239 RvArt. 240 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeld eigenaarschap en zorgregeling voor herdershond na beëindiging relatie

Partijen, die een relatie hadden en samenwoonden, kochten in 2016 samen een herdershond. Na het beëindigen van hun relatie en samenwoning in 2022 ontstond een geschil over het eigendom en de zorg voor de hond. De voorzieningenrechter concludeerde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat één partij alleen eigenaar was, waardoor gezamenlijk eigenaarschap werd aangenomen.

Op basis van artikel 3:169 BW Pro werd vastgesteld dat beide partijen ieder voor 50% het gebruiksrecht op de hond hebben. De voorzieningenrechter bepaalde een zorgregeling waarbij de hond om de veertien dagen wisselt van verblijfplaats, met de eerste overdracht bij de woning van de eiser. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van deze regeling.

Proceskosten werden niet toegewezen aan de eiser, aangezien slechts één van de drie vorderingen werd toegewezen en partijen in de toekomst contact moeten blijven houden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter legt een gedeelde zorgregeling voor de herdershond vast met een dwangsom bij niet-naleving en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/553777 / KG ZA 23-118
Vonnis in kort geding van 2 mei 2023
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R.A. van Huussen te Veenendaal,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 4,
  • de mondelinge behandeling,
  • de pleitnota van [eisende partij] .
1.2.
Op 18 april 2023 heeft mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen, griffier, een mondelinge behandeling gehouden. Daarbij was aanwezig mevrouw [eisende partij] , bijgestaan door advocaat mr. R.A. van Huussen.
Verder was aanwezig de heer [gedaagde partij] .
1.3.
Hierna is bepaald dat vandaag vonnis zou worden uitgesproken.

2.Waar gaat de zaak over

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad en samengewoond. Tijdens die relatie is in 2016 herdershond [naam] gekocht. In de periode van mei 2021 tot januari 2022 is de relatie tot een einde gekomen en is ook de samenwoning beëindigd. Tot november 2022 verbleef [naam] in overleg afwisselend bij [eisende partij] en [gedaagde partij] , maar daarna wilde [gedaagde partij] niet meer dat [naam] nog bij [eisende partij] verbleef. [eisende partij] heeft [naam] daarom op 4 januari 2023 zonder toestemming van [gedaagde partij] meegenomen. Omdat [eisende partij] weigerde [naam] terug te geven is [gedaagde partij] toen een kort geding procedure gestart. Die procedure heeft er echter niet toe geleid dat [eisende partij] is veroordeeld om [naam] aan [gedaagde partij] af te geven.
2.2.
Uit het kort geding vonnis van 10 februari 2023 blijkt dat de reden daarvoor was dat [gedaagde partij] onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij alleen de eigenaar is van [naam] . Er waren ook aanwijzingen dat [eisende partij] en [gedaagde partij] gezamenlijk eigenaar zijn van [naam] . De voorzieningenrechter heeft partijen er in dat vonnis op gewezen dat zolang niet vast staat dat één van beiden eigenaar is van [naam] , zij samen tot een oplossing moeten komen of, als dat niet mogelijk is, een procedure moeten starten waarin zij de rechter vragen om [naam] aan één van beiden toe te delen.
2.3.
Na dit vonnis heeft er enig overleg tussen partijen plaatsgevonden over [naam] , maar dat heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid. In de nacht van 4 op 5 maart 2023 is [naam] uit de woning van [eisende partij] weggehaald. [naam] verblijft vanaf dat moment bij [gedaagde partij] . [eisende partij] wil dat [gedaagde partij] [naam] teruggeeft en dat de rechter een regeling vaststelt waarbij partijen de zorg voor [naam] delen.

3.De beoordeling

Gezamenlijk eigendom

3.1.
[eisende partij] stelt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van [naam] . [gedaagde partij] handhaaft zijn standpunt uit de vorige kort geding procedure, namelijk dat hij alleen eigenaar is. Hij heeft dat echter ook in deze procedure niet aannemelijk weten te maken. Hij heeft zijn stelling op geen enkele manier onderbouwd en ook in de eerder nog niet overgelegde stukken zijn daar geen aanwijzingen voor te vinden. De voorzieningenrechter zal daarom ook in deze procedure uitgaan van gezamenlijk eigenaarschap. In juridische termen betekent dit dat [eisende partij] en [gedaagde partij] deelgenoten zijn van het gemeenschappelijke goed [naam] .
Het gebruik van / de zorg voor [naam]
3.2.
Op basis van artikel 3:169 BW Pro is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van het gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten is te verenigen. Op die grond komt aan [eisende partij] en [gedaagde partij] ieder voor 50% het gebruiksrecht van [naam] toe.
3.3.
In de vordering die in de dagvaarding is genoemd onder c, vraagt [eisende partij] aan de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige maatregel te bepalen dat [gedaagde partij] meewerkt aan een regeling waarbij de zorg voor [naam] gedeeld wordt. Deze vordering is in overeenstemming met het gebruiksrecht zoals bepaald in artikel 3:169 BW Pro en kan daarom worden toegewezen, zij het met enige aanpassingen. [naam] is op dit moment immers bij [gedaagde partij] en de overdrachten kunnen daarom niet plaatsvinden zoals door [eisende partij] is gevorderd. Daar komt bij dat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat [gedaagde partij] zijn huis heeft verkocht en over enkele dagen naar Spanje vertrekt om daar te gaan wonen.
3.4.
[gedaagde partij] heeft in verband met zijn verhuizing naar Spanje verzocht de overdracht van [naam] in Spanje te laten plaatsvinden. [eisende partij] heeft daar ook een huis en is daar volgens hem heel vaak. Voor de keren dat [eisende partij] naar Nederland gaat heeft [gedaagde partij] aangeboden de transportkosten van [naam] te betalen. [eisende partij] wil dat echter niet. Zij houdt vast aan haar wens om de overdracht in Nederland te laten plaatsvinden. [gedaagde partij] heeft vervolgens meegedeeld dat hij akkoord is met overdracht in Nederland bij het huis waar [eisende partij] woont.
3.5.
De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de eerste overdracht plaatsvindt op de 14e dag na betekening van dit vonnis om 18.00 uur bij het huis van [eisende partij] in [woonplaats] . Twee weken daarna zal [eisende partij] op dezelfde locatie en op hetzelfde tijdstip [naam] weer aan [gedaagde partij] overdragen en zo verder. Tijdens de zitting zijn partijen het er over eens geworden dat bij een 50/50 gedeelde zorg voor [naam] ook een 50/50 regeling voor gemaakte kosten hoort. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat [eisende partij] haar deel van de zorgkosten voor [naam] zal betalen.
3.6.
De vorderingen van [eisende partij] die in de dagvaarding genoemd staan onder a. en b. worden afgewezen. Met toewijzing van de vordering tot het vaststellen van een gebruiksregeling heeft [eisende partij] daar geen belang bij.
Dwangsom
3.7.
[eisende partij] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een dwangsom aan de hiervoor genoemde veroordeling te verbinden. Bij gebrek aan betwisting zal de voorzieningenrechter de vordering tot het opleggen van een dwangsom toewijzen, zij het voor een lager bedrag dan [eisende partij] heeft gevorderd. De hoogte van de dwangsom wordt bepaald op € 100,- voor iedere keer dat hij zich niet houdt aan de veroordeling en € 100,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt totdat een maximum van € 3.000,- is bereikt.
De proceskosten
3.8.
[eisende partij] vordert een bedrag van € 3.201,66 aan werkelijk gemaakte proceskosten, bestaande uit 8 uur x een tarief van € 315,-,vermeerderd met 5% opslag. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af.
3.9.
De artikelen 237-240 Rv, die zien op de forfaitaire proceskostenvergoeding in civiele procedures, bevatten in beginsel een limitatieve en exclusieve regeling voor de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld. Op grond van vaste rechtspraak is een uitzondering hierop alleen mogelijk onder buitengewone omstandigheden, zoals wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. Dat [gedaagde partij] wellicht onrechtmatig heeft gehandeld en zo een procedure noodzakelijk heeft gemaakt voor [eisende partij] betekent niet dat er onrechtmatig geprocedeerd wordt. Deze omstandigheid kan wel meewegen bij de beoordeling om al dan niet proceskosten toe te kennen.
3.10.
In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. [eisende partij] krijgt namelijk slechts voor één van de drie door haar ingestelde vorderingen gelijk. Bovendien heeft [eisende partij] eerder zelf [naam] zonder toestemming bij [gedaagde partij] weggehaald, waardoor hij gedwongen werd een procedure te starten. Belangrijker is echter dat partijen in het kader van de gedeelde zorg voor [naam] nog steeds geregeld contact met elkaar zullen moeten hebben.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om mee te werken aan de gedeelde zorg over [naam] , waarbij [naam] afwisselend twee weken bij [eisende partij] en twee weken bij [gedaagde partij] zal verblijven,
4.2.
de overdracht van [naam] zal iedere twee weken plaatsvinden om 18.00 uur bij de woning van [eisende partij] in [woonplaats] en de eerste overdracht is op de 14e dag na betekening van dit vonnis, waarbij [gedaagde partij] [naam] zal overdragen aan [eisende partij] ,
4.3.
voor iedere overtreding van het onder 4.1 en 4.2 genoemde verbeurt [gedaagde partij] een dwangsom van € 100,-, te vermeerderen met € 100,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, totdat een maximum van € 3.000,- is bereikt,
4.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2023 door mr. H.A.M. Pinckaers.