ECLI:NL:RBMNE:2023:2017
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning per 1 januari 2020
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020. Verweerder had de waarde vastgesteld op € 398.000,- en eiser stelde een lagere waarde van € 349.000,- voor. De waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode aan de hand van drie referentiewoningen.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat een verkoopprijs van een referentiewoning onjuist was opgenomen, waarna verweerder een aangepaste taxatiematrix overlegde. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de erfpachtcorrectie op de verkoopprijs juist was toegepast en de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren.
Eisers overige bezwaren, zoals de staat van voorzieningen en ligging van referentiewoningen, werden onvoldoende onderbouwd geacht. Een nieuwe beroepsgrond over indexering werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Verzoek om immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd afgewezen omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 398.000,- wordt ongegrond verklaard.