ECLI:NL:RBMNE:2023:2038

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
UTR 22/4916
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die door de gemeente Zeist was opgelegd. De gemeente heeft de aanslag uit coulance ingetrokken nadat bleek dat de parkeerbelasting was voldaan, maar met een onjuist kenteken. Verzoekster handhaaft haar beroep omdat zij meent dat het bezwaar onbevoegd is behandeld en dat de parkeerplaats niet correct is aangewezen.

De rechtbank overweegt dat het procesbelang van verzoekster is komen te vervallen doordat de aanslag is vernietigd. Volgens vaste rechtspraak is er alleen procesbelang als het resultaat van het beroep daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor verzoekster. Een louter principieel belang is onvoldoende.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelt zij de zaak niet inhoudelijk. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht aan verzoekster, omdat de aanslag uit coulance is ingetrokken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2023 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 15 oktober 2022 tegen het besluit van verweerder van 21 september 2022.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Verweerder heeft bij brief van 21 september 2022 besloten om de naheffingsaanslag in te trekken uit coulance, omdat uit het meegezonden bewijsstuk van verzoekster is gebleken dat de parkeerbelasting is voldaan alleen onder een onjuiste kenteken.
3. Verzoekster wilt haar beroep handhaven, omdat zij vind dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen en er geen sprake is van coulance. Verder geeft verzoekster aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende heeft onderbouwd dat de plaats waar zij heeft geparkeerd is aangewezen als plaats voor betaald parkeren.
4. Omdat verweerder de naheffingsaanslag inmiddels heeft vernietigd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verzoekster nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. In vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:392) is neergelegd dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat verzoekster met het indienen van het beroep wil behalen, daadwerkelijk kan worden bereikt en als het realiseren van dat resultaat voor verzoekster feitelijk betekenis kan hebben. Het alleen hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
5. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster geen procesbelang meer heeft. Verweerder heeft de naheffingsaanslag vernietigd. Daarmee is tijdens de beroepsprocedure het procesbelang komen te vervallen. Verzoekster heeft alleen een principieel belang bij een inhoudelijke beoordeling. Er is bovendien niet gebleken dat eiseres een ander belang heeft bij de beoordeling van haar beroep.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Awb). Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld.
7. Verweerder is van mening dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van de proceskostenvergoeding en het vergoeden van het griffierecht.
8. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder de aanslag uit coulance heeft vernietigd aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.
9. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 418,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank stelt de wegingsfactor op 0,5 omdat het beroep is gericht tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
10. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro)

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S.Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.