ECLI:NL:RBMNE:2023:204
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 19 december 2022 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 76.720,10, voortvloeiend uit een hennepkwekerijzaak. De officier van justitie stelde ter zitting dat de vordering moest worden afgewezen omdat niet was komen vast te staan dat de verdachte voordeel had genoten.
De verdediging steunde dit standpunt en verwees naar de bepleite vrijspraak. De rechtbank baseerde haar oordeel op het bewezen verklaarde feit dat de verdachte aanwezig was bij de hennepkwekerij, maar niet op het ontvangen van opbrengsten. De verdachte verklaarde geloofwaardig dat hij alleen aanwezig was om henneptoppen te knippen en nog niet was begonnen met knippen.
Gezien het ontbreken van bewijs dat de verdachte een deel van de oogstopbrengst heeft ontvangen, kon de rechtbank de ontnemingsvordering niet toewijzen. Op grond van artikel 36e Sr werd de vordering van de officier van justitie afgewezen. Het vonnis werd uitgesproken op 16 januari 2023 door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af omdat niet is vastgesteld dat verdachte opbrengsten heeft ontvangen.