Uitspraak
(verder te noemen: verzoekster)
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft een bestuursrechter een verzoek tot verschoning ingediend omdat zij zich niet vrij voelt om de hoofdzaak te behandelen. De hoofdzaak betreft een Wet open overheid (Woo) procedure waarin stukken van de Landsadvocaat worden opgevraagd. De verzoekster was tot 2018 advocaat bij de Landsadvocaat en behandelt daarom geen zaken waarbij de Landsadvocaat betrokken is.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kamer benadrukt dat verschoning dient ter waarborging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Ook de schijn van partijdigheid is relevant, omdat het vertrouwen van rechtzoekenden in het rechterlijk apparaat moet worden gewaarborgd.
Gezien de eerdere dienstbetrekking van verzoekster bij de Landsadvocaat en het feit dat de hoofdzaak draait om stukken van diezelfde Landsadvocaat, acht de kamer de schijn van partijdigheid voldoende aannemelijk. Daarom wordt het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2023 en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter wordt gegrond verklaard vanwege de schijn van partijdigheid.