ECLI:NL:RBMNE:2023:2122
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering aanvullende vergoeding gebruik perceel voor opslag bagger
Eind 2019 benaderde gedaagde eiser voor het gebruik van een perceel voor opslag van baggerspecie. Op 17 januari 2020 tekende een uitvoerder van gedaagde een schriftelijke overeenkomst voor het gebruik van een perceel van 2 hectare tegen een vergoeding van €3000 per hectare per jaar, met een minimale looptijd van één jaar.
De werkzaamheden startten op 22 januari 2020 en eindigden op 25 maart 2020. Gedaagde gebruikte uiteindelijk slechts 1 hectare, terwijl eiser stelde dat de overeenkomst betrekking had op 2 hectare en een vergoeding van €6000 per jaar toekwam. Gedaagde betaalde echter slechts voor 1 hectare en betwistte de bevoegdheid van de uitvoerder om de overeenkomst te tekenen.
De kantonrechter oordeelde dat de uitvoerder wel bevoegd was en dat de overeenkomst conform de Haviltex-maatstaf moest worden uitgelegd. Gezien de omstandigheden en het gedrag van partijen was de overeenkomst bedoeld voor 1 hectare met een optie voor 2 hectare. Omdat gedaagde slechts 1 hectare gebruikte, werd de vordering van eiser afgewezen. Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot betaling van een aanvullende vergoeding voor het gebruik van 2 hectare grond wordt afgewezen omdat de overeenkomst slechts betrekking had op 1 hectare.