Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2023 in de zaak tussen
de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK),
Inleiding
Totstandkoming van de bestreden besluiten
De stichting heeft hierop in haar brief van 30 juli 2019 schriftelijk gereageerd.
De minister van Defensie, het college van GS van Zuid-Holland en het college van b en w van Rotterdam hebben de eigen bezwaaradviescommissie ingeschakeld. De commissie van de minister van Defensie heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit tot buiten behandelingstelling te handhaven. De commissie van de andere twee verweerders hebben geadviseerd om het primaire besluit (gedeeltelijk) niet te handhaven. Naar aanleiding van de hoorzittingen heeft alsnog overleg plaatsgevonden met de minister van Defensie en het college van GS van Zuid-Holland.
Er is dus geen goede reden voor buiten behandelingstelling van het Wob-verzoek, temeer omdat al was gestart met inventarisaties per bestuursorgaan. Die inventarisaties zijn ten onrechte voor de stichting achtergehouden. Door vanuit de centrale regie van EZK te koersen op buitenbehandelingstelling is unfair gehandeld en misbruik gemaakt van de mogelijkheid die de wet biedt. De behandelingen in de bezwaaradviescommissies van de minister van Defensie, het college van GS van Zuid-Holland en het college van b en w van Rotterdam laten zien dat van een onbegrensd of een te algemeen Wob-verzoek geen sprake was. Behandeling van de verzoeken was dus mogelijk, al dan niet op onderdelen.
De stichting vindt dat verweerders in strijd hebben gehandeld met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wob. Zij opteert voor nieuw overleg, met elk van de verweerders afzonderlijk.
Daarom zijn verweerders in gesprek gegaan over de specificering van het verzoek. Verweerders zijn daarmee behulpzaam geweest, zoals de wet voorschrijft. Mede gezien de halsstarrige houding van de stichting, is niet tot een behandelbaar verzoek gekomen. De stichting wilde registers en overzichten van documentsystemen zien om vervolgens daaruit te kunnen kiezen in welke informatie zij (het meest) geïnteresseerd was. Dit is evenwel niet een werkwijze die de wetgever met het informatiestelsel voor ogen heeft gehad en verweerders waren niet verplicht deze werkwijze te volgen. Om behulpzaam te kunnen zijn, is ook medewerking van de verzoeker nodig en die ontbrak in dit geval. Verweerders hebben de stichting voorstellen en suggesties gedaan en er is ook geruime tijd de gelegenheid geboden om het verzoek te preciseren. Met de uiteindelijke inperking heeft de stichting de verzoeken in feite niet, maar in elk geval onvoldoende, gepreciseerd. De stichting heeft in de preciseringsfase ook geen enkele keer aangegeven dat het verzoek uit meerdere verzoeken bestaat die ieder voor zich in behandeling genomen konden worden.
Nu de stichting de verzoeken niet (voldoende) heeft gepreciseerd, ondanks dat de bestuursorganen aan hun begeleidingsplicht hebben voldaan, konden de verzoeken buiten behandeling worden gesteld. Dat is gedaan binnen de in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb genoemde termijn van vier weken nadat verzoeker op (in dit geval het laatste) preciseringsverzoek heeft gereageerd. Van vooringenomenheid, gebrek aan fair play of een andere onrechtmatigheid in de voorbereiding is geen sprake. De stichting heeft de geboden mogelijkheden gewoonweg niet te baat genomen. Dat een globale schatting is gemaakt van de mogelijke impact op de organisaties zegt niets over de behandelbaarheid van het verzoek en de afwijkende werkwijze van ‘de Noordelijken’ ook niet.
Conclusie en gevolgen
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
[…]
Artikel 4:5
[…]
[…]
[…]
Artikel 3
2 De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.