Eiser, werkzaam bij de politie, raakte tijdens een oefenrit in het kader van een interne motoropleiding gewond door een val op een drassige onverharde weg. Verweerder kwalificeerde het ongeval als dienstongeval en weigerde het te erkennen als beroepsincident, wat voor eiser hogere schadevergoedingen zou betekenen.
Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank vast dat oefensituaties in beginsel niet kwalificeren als beroepsincidenten, omdat zij waarborgen bieden zoals toezicht, aangepaste snelheid en de mogelijkheid om de oefening te beëindigen. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een gevaarzettende situatie waaraan hij zich niet kon onttrekken.
De omstandigheden, waaronder het dragen van beschermende kleding, toezicht door docenten en de mogelijkheid om de oefening te stoppen, maakten het ongeval een dienstongeval. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde de kwalificatie van het ongeval als dienstongeval.