Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de griffier die betrokken was bij meerdere bestuursrechtelijke zaken omtrent de Legesverordening 2018, 2019 en 2020. Zij stelden dat de griffier vanwege herhaalde betrokkenheid en vermeende vooringenomenheid niet onpartijdig kon zijn, mede gesteund op een uitspraak van het EHRM (Belizzi v Malta).
De wrakingskamer overwoog dat het Nederlandse rechtssysteem geen zelfstandige wrakingsmogelijkheid biedt tegen griffiers, omdat deze geen taken of bevoegdheden hebben die gelijkgesteld kunnen worden met die van een rechter. Dit onderscheidt zich wezenlijk van de situatie in de EHRM-zaak, waar een gerechtsambtenaar met uitgebreide bevoegdheden en belangen betrokken was.
De door verzoekers aangevoerde handelingen van de griffier, zoals het opstellen van processen-verbaal en contact met gemachtigden, behoren tot het reguliere takenpakket en vinden plaats onder verantwoordelijkheid van de rechter. De wrakingskamer concludeerde dat de verzoekers onvoldoende concrete feiten hadden aangevoerd om de onpartijdigheid van de griffier te betwijfelen.
Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd de procedure voortgezet zoals die was op het moment van indiening van het verzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.