ECLI:NL:RBMNE:2023:2351
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waardebepaling en toekenning immateriële schadevergoeding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waardes van een niet-woning en drie woningen in een plaatselijke gemeente. De heffingsambtenaar had de waardes voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op basis van de waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser betwistte de hoogte van de waardes, stellende dat deze te hoog waren vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes niet te hoog zijn vastgesteld. Voor de niet-woning is de waardering gebaseerd op kapitalisatie van de brutohuur met een huurwaarde van €100 per m² en een kapitalisatiefactor van 8,0, inclusief een leegstandsrisico van 20%. De rechtbank volgt de uitleg van de heffingsambtenaar dat het object als winkel gewaardeerd mag worden vanwege de gebruiksmogelijkheden.
Voor de woningen is de waardering onderbouwd met taxatierapporten en vergelijkingen met referentiewoningen die qua ligging, grootte en uitstraling voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank verwerpt de bezwaren van eiser over de kwaliteit van de referentiewoningen, de waardering van de tuin, de dakkapel en de toepassing van het afnemend grensnut.
Eiser heeft tevens een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure gevorderd. De rechtbank constateert een overschrijding van twee maanden en kent een vergoeding van €500 toe. Daarnaast wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van proceskosten van €837. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardes wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskosten van €837 aan eiser.