ECLI:NL:RBMNE:2023:2352
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning met toekenning immateriële schadevergoeding
Eiseres betwistte de WOZ-waarde van haar woning, vastgesteld op €507.000,- per waardepeildatum 1 januari 2018, en vorderde een lagere waarde van €415.000,-. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen werden aangevoerd als referentie.
De rechtbank oordeelde dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn qua ligging, bouwperiode en uitstraling, ondanks verschillen in nabijheid van wegen en mogelijke geluidsoverlast. De taxatiematrix toonde bovendien een lagere grondwaarde en een aanzienlijk verschil in hoofdgebouwwaarde per vierkante meter, wat de vastgestelde WOZ-waarde ondersteunt.
Omdat de heffingsambtenaar aannemelijk maakte dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, werd het beroep ongegrond verklaard. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €2.000,- toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van 23 maanden tussen ontvangst bezwaar en uitspraak. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €837,- aan eiseres toegekend. Het griffierecht werd niet vergoed omdat het beroep ongegrond was en het verzoek om schadevergoeding tijdens het beroep werd gedaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van €2.000,- immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.