ECLI:NL:RBMNE:2023:2355
Rechtbank Midden-Nederland
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning vastgesteld op €642.000 wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een woonplaats, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €657.000 per 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar, maar eiser stelde beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de heffingsambtenaar, die zes referentiewoningen gebruikte om de waarde te rechtvaardigen. Hoewel eiser stelde dat oppervlaktematen van bergingen onjuist waren gebruikt, concludeerde de rechtbank dat de oppervlaktematen correct waren vastgesteld. De kern van het geschil betrof de staat van het dak, dat achterstallig onderhoud vertoonde en in 2022 werd vervangen vanwege lekkage.
De heffingsambtenaar had onvoldoende gemotiveerd waarom de waarde niet te hoog was ondanks het dakprobleem. De rechtbank vond dat de waardedrukkende invloed van het dak niet was verdisconteerd in de referentiewoningen. Omdat geen van beide partijen voldoende bewijs leverde, bepaalde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs op €642.000.
Verder veroordeelde de rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser en bepaalde dat het door eiser betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak vervangt de bestreden uitspraak en leidt tot vermindering van de aanslag onroerendezaakbelasting.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €642.000 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten.